74. Zes-en-een-kwart

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: donderdag 07 januari 2010

Het was in negentien vierenveertig en hij kwam op bezoek, die manke vent: ik zie hem nog in zijn zwarte laarzen,  groene jas en  dito broek, met doodskoppet van de SS. Zijn aura was pikzwart. Vaak noemden wij hem Sijs, maar nooit Herr Seijss Inquart. En die kerel was niet wijs. 

Bij ‘Koelhuis Linthorst’ kwam ‘mijnheer’, vlak bij ons op de hoek. Daar liep die vuile Oostenrijker met zijn gore groene broek. Ik stond bij ons in het portiek, al was dat ook verboden. Hoewel ik niet gewapend was, had ik hem kunnen doden!

Die boef was dus een uitvoerder van Hitlers moordbevelen. Als ik hem in mijn handen kreeg, ik zou hem levend kelen! Helaas ik durfde niet te gaan uit mijn portiek, oh nee, want als ik nu gegrepen werd, nam ik er nog acht mee … ! 

Enfin, ik stond lekker op straat tijdens ‘mijnheers’ visite. Ik dacht: ‘Jij vuile sijsjeslijmer, het zal jou eens verdrieten, wat jij ons volk hebt aangedaan’. Ik bleef stiekem in het portiek. De groene moordstoet ging voorbij. Toen werd ik plots doodziek: Ik zag de bril op Sijs zijn neus. Ik raakte van de graat! Want door die bril, geloof me echt, leek hij aristocraat! 

Dat een mens zich zo vergissen kan. Geen tronie van een boef, voor wie men in een mum van tijd graag eens een grafje groef. Ik wist nog niet, ik was zestien jaar, dat het niet het uiterlijk is waardoor ’s mensen handelen wordt bepaald, dat het innerlijk beslist. Daar ging hij dus, ons huis voorbij; ik hield mij uiterst koest. Toen ging ik maar naar binnen toe. Inwendig bleef ik woest, omdat ik daar maar had gestaan en niet wist wat ik moest. 

Nu, na zo’n vijfenzestig jaar, heb ik niet meer zo’n spijt, en na Neerlands bevrijding waren wij ”die smakkerd kwijt”, zoals mijn vader treffend zei, “wat was zijn ziel toch zwart”. 

Is er een hel, hij brandt nog steeds, mijn vriend, Zes-en-een-kwart.