283. NAUMACHIE DAVENTRIAE

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: zondag 27 september 2015

Afscheidswoorden van G.W. Kuijk, nestor van de gemeenteraad van Deventer van januari 1999 tot maart 2002, bij zijn afscheid uit de gemeentepolitiek. Burgemeester was toen James van Lidt de Jeude (majordomus). De volgende partijen waren toen vertegenwoordigd in de gemeenteraad: Partij van de Arbeid, Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, Algemeen Deventer Belang, Christen Democratisch Appel, Groen Links, Democraten 66, Socialistische Partij en Christen Unie, acht groepen dus. Plaats van handeling: Raadszaal met publieke tribune in het stadhuis op het Grote Kerkhof (Colosseum Daventriae)

De wethouders waren Bert Doornebosch en Martin Knol (Bert en Ernie van de PvdA), Antoin Scholten (de Gelaarsde Kat van de VVD), Margriet de Jager (Sneeuwwitje van ADB), Gosse Hiemstra (de Willy Wortel van het CDA). De rest van de beelden in deze politieke allegotie spreekt voor zich.

Acht schepen liggen in het water van het amfitheater aan de hoge loswal in de arena voor anker. Colosseum Daventriae is vergelijkbaar met het Colosseum in Rome, maar het kan heel wat meer publiek herbergen. Het strekt zich immers uit van de heuvels op de Veluwe tot aan die op de grens met Twenthe. Het IJsselstreekse land vormt de publieke tribune van de Daventriaese arena met zijn water dat IJssel heet. Het spiegelgevecht, soms schijnvertoning genoemd door de toeschouwers, tussen de bemensingen van de acht zal op dat water plaats vinden. Het vlaggenschip is de negende boot die in het water ligt. Het draagt de naam ‘Collegium’. Wij schrijven januari 1999 tot maart 2002; het is een lang gevecht.

De bemanningen van de schepen gaan aan boord. Publiek is er nog weinig op de tribunes van Daventriae. Slechts ruim 50% van de mensen boven de achttien heeft voor de opvoering van ruim drie jaar een kaartje gekocht. Het ‘stadion’ is half vol, maar het lijkt half leeg. Nauwelijks belangstelling dus. Majordomus komt aangewandeld. Hij schrijdt niet, want hij is gewild onder het publiek en dat wil hij graag zo houden. Hij heeft verscheidene keren ‘De rol van de majordomus’ gelezen; hij kent dus het begrip under-acting en hij weet wat de andere acteurs in de moderne tijd weten: Je moet niet boven jezelf uitstijgen, maar onder jezelf doorgaan. Je moet een ander de schoenen willen dichtbinden. Het publiek is niet je knecht. Het is je meester! Meesterschap toont zich in knechtschap, in dienen van je publiek.

Achter de meester schrijden de regenten, de stuurlui. Zij zijn afgevaardigd door de gladiatoren, de zwaardvechters, door het publiek uitverkorenen, die te vuur en te zwaard zullen vechten om het publiek zo goed mogelijk te amuseren, tot leringhe ende vermaeck, zaken te bieden dus die blijdschap, levensvreugde, zelfs geluk brengen! De majordomus en de vijf stuurlieden, Bert, Ernie, Willy Wortel, De Gelaarsde Kat en Sneeuwwitje gaan aan boord van het vlaggenschip met de adelaarsvlag fier in top. Met grote gele en rode letters staat er Eagles op. Wat een verschil met het kleinste bootje dat de kruisvaan hoog in top heeft. Het heeft trouwens een mooie naam: ‘Scheepken onder Hoede’. Ook een klein schip is de ‘Tomaat’. Het draagt een rode vlag met het dwarse motto: Tegensturen. Het grootste schip heet ‘Rode Tulp’. Wat dat betekent, is licht te raden. Het moet wel een heel liefdevol schip zijn! ‘Be-zessenzestigd’ is de naam van eveneens een kleine boot. De bemanning ervan beseft hoe zij door de groten bekeken wordt. Het schip is groen geverfd. Dat moet ergens op slaan. Er is nog een groen schip en nog een; op het eerste staat ‘Links’, op het tweede ‘Maarrr … wij komen terug …’. Die lui hebben vast ‘De Ramblers’ nog als muzikale vrienden. Die leven blijkbaar nog in een harmonieus wereldje.

Majordomus houdt een trechter voor de mond. Zijn stem klinkt vriendelijk over het water: “Geeft Acht!” Alle acht schepen hijsen de zeilen. Zij gaan in een cirkel liggen, de koppen op elkaar gericht. Ze zeilen op elkaar in. De vier kleinste schepen schijnen elkaar beter te kunnen vinden dan de vier grootste. Zij hebben dan ook de grootste toeters en ze blazen zo hoog mogelijk van de torens en uit de masten. En zij worden gehoord. Nestor neemt de strijd waar vanaf het gele schip ‘De zeven Dwergen’, de groep waar hij bij mag vechten. Zij zijn soms verdeeld in hun strijd, evenals de bemensing van ‘De Vrijheid’, die toch een uitstekende centurion heeft, die al heel wat stormen en hoge zeeën met zijn stentorstem bezworen heeft. Hij zou zo op ‘Het Scheepken onder Hoede’ kunnen varen. De strijd duurt en duurt maar. “Goat der nog is goed tegenan”, roept de centurion van ‘De tomaat’. Majordomus fluistert in zijn toeter: “Wat spreekt die vent voor taal?”. Nestor roept terug: “Majordomus, dat is ABN, Algemeen Beschaafd Nedersaksisch, de taal van de middeleeuwse bewoners van deze streken!” “Maar die taal versta ik niet!” “As iej Joa en Nee mar verstoat”, schreeuwt Nestor dan. Hij ziet ondertussen dat de bemanningen elkaars schepen enteren en het lijf-aan-lijf werk aanvangt. Daarbij worden heel wat stoten onder de gordel uitgedeeld. ‘De zeven Dwergen’ hebben gelukkig Sneeuwwitje niet aan boord; daar hoeven ze zich niet om te bekommeren. Zij redt zichzelf wel! Ze heeft tenslotte een zwemdiploma. Zij kijken meer naar het publiek; dat begint langzamerhand toe te nemen. Op het vlaggenschip wordt dat tevens opgemerkt, ziet Nestor. Majordomus roept zijn stuurlui bij elkaar. Er is nog maar een beperkte tijd van strijden. Hij geeft alle regenten een verrekijker om naar onregelmatigheden te speuren. Die zijn er gelukkig niet zo veel: Binnen een enkele bemanning waar publiek bij aan boord geklommen is, begint men een eigen lid en zelfs centurions onderuit te halen. En ondanks de voortdurende kreet: De dood of de gladiolen, lukt dat niet echt. Enkele bemanningsleden gaan op de solo-toer aan de slag. De ene helft van het publiek juicht daarvoor, terwijl een groot deel begint te fluiten.

Nestor ziet dat aan boord van de ‘Collegium’ een spelletje mastklimmen begonnen is. De Gelaarsde Kat is toe aan de ‘hamvraag’. De ham is een heel zwijn; het hangt boven in de mast. Hij raadt per ongeluk het goede antwoord. Het antwoord is goed en het zwijn stort in het water. “De prijs is binnen” roept de slimme kat. “Als je naar het zwijn dregt”, zegt Majordomus. Dan wordt er een buldog in de mast gehesen. “Dat is een teeve, en een mooien!” roept Nestor. Sneeuwwitje is aan de beurt. Als ze alle vragen maar goed kan beantwoorden, want anders zit ze ernaast! Bert, die de buit al binnen heeft, en Ernie, die het zo wel goed vindt, kijken toe. Willy Wortel speelt met zijn computers, maar Lampje is er niet. Hij moet het zonder hem doen.

En dan toetert het eindsignaal. En het wordt heel stil!   Velen op het water voelen nu pas echt nattigheid, want zij hebben niet aan het publiek gedacht, dat altijd gelijk krijgt, ook al heeft het dat misschien niet. Maar … het publiek is bij deze schijnvertoningen de jury. Het heeft de dubbele bodems bij de schepen wel ontdekt! Daardoor is de voorstelling toch nog zo interessant en amusant geweest, dat er enkele procenten belangstellenden meer op de tribunes zitten. Zij tonen hun gele, rode, groene, blauwe kaarten en de bemanningen van de kleinen winnen of blijven op hetzelfde aantal. Van de groten wint er maar een: “Maarrr … wij komen terug”. “De Vrijheid “ verliest één bemanningslid, “De zeven dwergen” wordt “De vijf Dwergen”. “Ja”, zegt Nestor, “Het gaat er niet om wie gelijk heeft, … .

Als de uitslag van de jury bekend is, gaat Nestor naar de kajuit van zijn schip. Hij pakt een exemplaar van ‘De grammatica der Nedersaksen’ uit zijn kast en schrijft daarin: “Joa en Nee verstoa iej wel! En dat is genog”. Dan laat hij zich naar het vlaggenschip roeien en overhandigt het boek aan Majordomus. “Leg dit in Uw kajuit”, zegt hij, “Het kan U helpen de taal van Daventriae te verstaan!” En met deze handeling neemt hijzelf afscheid, al is hij de strijd nog lang niet moe. Hij ziet hoe bemanningsleden hun schepen voorgoed verlaten, droeve gezichten en verblijde. Het kan nu eenmaal verkeren.

Maart, dialectmaand 2002.