262 GRIEPPRIK

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: maandag 20 oktober 2014

Aan alle werkers van “Huisartsenpraktijk Diepenveen”

                                   ---

Zaterdag, 18 oktober 2014

 

Nu krijg ik weer mijn prik tegen de influenza.

En ik denk even als ik bij de huisarts in mijn hemd sta:

‘Zou het spuitje dat ik krijg, nu werkelijk wat doen,

of is het enkel maar een heel klein doekje voor het bloe’n?’

De assistente drilt de naald snel in mijn linker bovenarm.

Ik voel het nauwelijks: het plekje wordt alleen een beetje warm.

Dan is het al gebeurd; ik mag nu rustig huiswaarts gaan.

Ik hoef gelukkig hier niet in mijn hemd te blijven staan.

En dan maar rustig wachten of ik griep krijg ja of nee,

want of die prik nu heus wat doet, daar zit ik echt niet mee.

Ik zit wel in mijn lijf, maar ik beheers mij niet totaal.

Naar mijn gevoelens gaat dat zo met jullie allemaal.

We kunnen ons verbeelden alles te kunnen richten,

maar voor de machten buiten ons zullen we moeten zwichten.

En als de griep mij grijpen wil, dan doet hij dat spontaan

en trekt zich van die prik bij mij zich toch geen prikje aan.

                                   -------

Eens zal ik in mijn leven de laatste prik ontvangen.

Ik zit er voor de duvel nog niet naar te verlangen.

Maar Heintje Griepedi, je weet wel Magere Hein,

zal er toch op een dag of nacht eens met zijn spuitje zijn.

“Ic griepe di, du kriegst een prick!” Da’s Middelnederlands.

Zijn doodsteek mag modern zijn, maar zijn taal is heel aftands.

Ik ken hem als geraamte nog met zijn tandenloze bek:

Hij stond naast het nattehislokaal in het praktijkvertrek.

Ik kende hem toen enkel uit “De tuinman en de Dood”.

Toen was ik dertien, ja, ik weet dat is nog niet erg groot.

Maar eens toch zal die Magere Hein mij zeker prikken gaan

in Amersfoort of Zutphen of misschien wel Ispahan.

Aan poëet Pieter Nicolaas van Eyck kan ik het niet meer vragen:

Hem zal ik zeker niet meer zien voor het einde mijner dagen.

Dan kijk ik Magere Hein Griepedi diep in zijn holle ogen

en smeek ik hem “Griep mi noch nich! Hein, hebt doch meededooghen!”

Maar De Dood zal mij toch bij mijn linker schouder grijpen

En zijn dodelijke spuit met Eeuwig Leven in mijn bovenarm uitknijpen.

En mocht je van deez’ overpeinzing soms niets willen geloven,

we spreken elkaar zeker nog, niet hier misschien, wel boven.

Magere Hein woont daar allang: hij heeft eeuwig Eeuwig Leven.

Hij zal ons allemaal daar vast en zeker tekst en uitleg geven.

Crödde van Niessel