255 Prinsjesdag 16-09-2014

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: donderdag 18 september 2014

Het is een mooie dag, de zon schijnt buiten fijn.

Vandaag is het weer Prinsjesdag; ik kan niet buiten zijn.

Ik wil vandaag de koning zien, want die komt op de buis.

Mijn vrouw kijkt ook, dus blijven wij fijn met ons beiden thuis.

                                   ---

‘k Druk op de knop om goed half één en zet hem op de twee:

Op één is ook de doventolk: daar hoeven wij niet mee.

Astrid en Rob verschijnen al onmiddellijk in beeld.

Zij zorgen dat het kijkpubliek het wachten niet verveelt.

                                   ---

Er staat vandaag bijzonder veel publiek weer aan de kant

in burger en in klederdrachten uit het hele land.

De vlaggen hangen uit en de Gouden Koets komt dra.

En hoeper-de-poep zit op de stoep van je hiep-hiep-hiep hoera!

                                   ---

Politie, militairen, zij zijn in vol ornaat.

Zij rijden er te paard of staan er langs de straat.

Een marinier wordt er onwel en gaat hard onderuit.

Prins Constantijn stapt lachend in met Laurentien, zijn bruid.

                                   ---

Zij stappen in een rijtuig, dat hebt U wel gevat.

‘Berliner’ heet zo’n ding: Zo leer ik nog eens wat!

De koning en de koningin, zij stappen in de koets,

die glimmend goud is, want heel prachtig opgepoetst.

                                   ---

Voor een raam zit Prinses Beatrix, zij zwaait en zij geniet,

Omdat ze eindelijk van deze kant het koninkrijk eens ziet.

Er klinkt steeds luider marsmuziek; de sfeer is vrolijk, blij.

En het publiek doet hossend mee en dat geldt ook voor mij.

                                   ---

De koets komt bij de Ridderzaal; dan klinkt ons Volkslied fier.

Het vorstenpaar stapt statig uit, ik zie dat met plezier!

Zij nijgen voor het vaandel, dat is heel stram gestrekt.

Dan schrijden zij de trappen op en kijken opgewekt.

                                   ---

Wat in de Ridderzaal gebeurt, dat gaat aan mij voorbij,

Want ik moet nodig naar ’t toilet, da’s weer net iets voor mij.

Als politiek ter sprake komt, het klinkt misschien heel zot,

moet ik, of ik nu wil of niet, onmiddellijk op de pot.

                                   ---

En als ik uitgezeten ben, en dat duurt wel een uur,

heb ik een heleboel gemist: dat vind ik toch wel zuur.

Zij staan gevieren op ’t balkon en zwaaien, zwaaien maar.

Ik zwaai terug, en zeg hardop: “Daa...aag, en graag tot volgend jaar!”

                                   ---