229 Wispoëzie XVI - Pi

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: dinsdag 08 april 2014

 Wonder van Eeuwige Oneindigheid

 

Dat wat gebogen is, keert in zichzelf terug of verliest zich in de verten.

Denk aan de cirkel en de ovaal, de bol en meer van zulke ronde zaken.

De parabool en hyperbool verliezen zich in de oneindigheid,

waar toch de einden van de bogen in eeuwigheid zich raken

 

Eeuwigheid kent geen tijd en Oneindigheid geen ruimte.

Geen mens die zich het Niets ook maar even voor kan stellen.

Het Zwarte Gat zegt daarover feitelijk nog het meest,

heb ik mij door geleerde lui heel vaak laten vertellen.

 

Maar ik heb als kleine jongen reeds iets anders ‘uitgevonden’,

toen ‘Pi’, een raar getal, plots in mijn wiskundig denkend leven kwam.

En ik zag dan meteen dat ‘Het Getal’ niet algebraïsch was, niet aards, niet afgesloten,

maar meer dan ‘Vol’ en dat het alle grond aan rede en gevoel en andere banaliteit ontnam.

 

Ik nam in de achtertuin een ijzerdraad en boog die tot een ronde baan.

Ik liet een kleine mier op deze eeuwige curve voortdurend rondjes gaan.

Hij liep en liep en liep, bleef af en toe een tijdje stille staan.

Toch gaf hij het niet op, trok steeds opnieuw en weer een stevig sprintje aan.

Had ik hem er niet afgehaald, en was hij nadien in leven nog gebleven,

waarachtig, het overijverig diertje zou nog zijn rondjes gaan.

 

‘Pi’ laat geen ruimte over en brengt ons uit de tijd en uit rechtlijnigheid.

‘k Heb in mijn pubertijd al het bestaan der rechte lijn ontkend.

Rechten bestaan niet, er zijn alleen en enkel vele krommen.

‘Pi’ is in alles en in allen; al jaren ben ik daaraan gewend.

En wie ‘Pi’’s wonderbare Eeuwigheid ontkent, hoort waarlijk tot de dommen.

 

Geen wezen is tot dood gedoemd: wij allen volgen ronden,

zoals de mier die ik lopen liet en dat tig ronden lang.

Wij ‘piën’ door het leven heen langs de route die wij vonden

en zullen daarna rustig draaiend de eeuwigheid in gaan.

Wij zullen echter nimmer eindigen, want wij volgen steeds de bogen.

‘Pi’ heeft mij dat lang geleden al verteld en daar houd ik mij aan.

 

Eeuwigheid, Oneindigheid, geen Oerknal past daarbij.

Er is alleen een Pifontein, die ons als zijn gebogen stralen

de Oneindigheid in spuit

en na onze aardse ronde ons allen weer in zijn bron omsluit

Wij komen allen toch weer daar waar het voor ons eens begon:

in onze Eeuwige, Oneindige en Volle Levensbron.

 

Crödde van Piniessel