228 Wispoëzie XV - Bossche Bollen

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: vrijdag 04 april 2014

 

Een middellijn van veertien centimeter,

schat ik, heeft deze bruine Bossche Bol.

Ik ga meteen nauwkeurig aan  het rekenen

en niet omdat ik moet, ik doe het voor de lol

Pi maal de middellijn; ik kom op vierenveertig.

De omtrek van de lekkernij is nu bepaald.

Vier pi keer straal in het kwadraat dat is de oppervlakte.

Zeshonderd zestien wordt ruim daardoor gehaald.

Dan nu de inhoud nog, want dat is heel belangrijk.

Die is vierderde pi maal de straal tot in de derde macht.

Ruim veertien honderd zevenendertig is een heel hoge score.

Haast anderhalve liter slagroom is in mijn bol gebracht.

Nu pak ik mes en vork en zet me aan het smullen

van deze nooit genoeg geprezen lekkernij,

die ik alleen maar in Den Bosch van Jan de Groot wil eten:

hij is de allergrootste Bossche Bolleboos voor mij.

En ben ik uitgesmuld en heb ik afgerekend,

dan reis ik snel terug naar Deventer mijn stad.

Maar eerst koop ik een viertal Bossche Bollen,

twee voor mijn zo lieve vrouw: zij heeft nog niets gehad.

En als ik thuiskom, geef ik haar meteen de grote mand.

Zij opent hem, ze glundert, zegt: “Ik zet lekkere koffie gauw!

We eten er Bossche Bollen bij als in een restaurant.

Het zijn er twee keer twee, dus ook nog twee voor jou.”

We smullen samen van de Bossche Bollen.

We prijzen deze heerlijkheden al etend opgetogen.

Zo lang de Bossche Bollen uit de ovens blijven rollen,

zal dat de Bossche roem aanhoudend nog verhogen.

Zo zitten wij heel lang gezellig te genieten.

We smullen heerlijk en daarbij past enkel zwijgen.

De Bossche Bollen gaan alle op en nu maar hopen dat

Wij die lekkernij nog heel lang kunnen krijgen.

Crödde van Niessel