225 Wispoëzie XII - Ellips

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: zondag 30 maart 2014


 

Negentien zesenvijftig in de zesde klas

Ik pin twee punaises in het groene bord

Kinderen kijken stil en gespannen toe

Willen weten wat of dat wel wordt

‘k Haal uit mijn zak een stukje vliegertouw

Knoop links en rechts dat vast om elke pin

Nu hangt het in een kleine boog omlaag

“Zo meisjes, jongens, dit is het begin”

Ik zet het pijpje krijt in de ontstane boog

Trek dan de boog tot een mooie hoek heel strak

Beweeg het krijt voorzichtig over ’t vlak

naar links eerst naar beneden dan omhoog

Voorbij de linker pin maakt het krijt een scherpe bocht

Dan gaat mijn hand naar rechts en gaat de reis weer door

tot uiterst rechts en dan naar links van onder

tot waar ik ben begonnen en dan klinkt mij een stem in ’t oor:

“Dit is ovaal Meneer!” en ’t klinkt als is ’t een wonder

En nu begint de les over banen van planeten

over brandpunten en afstand tot de omtrek bij ellipsen

over zon en maan en over de eclipsen

Mijn leerlingen, zij willen graag alles ervan weten

Ik weet niet of zij dat allemaal nu nog wel kennen

Maar dat doet er ook niet toe, want het gaat toch om het Wonder

dat hun getoond is toen ze nog maar kinderen waren

Want wat moet toch een mens op deze schone aarde zonder

te beseffen dat hij zijn bestaan nooit kan verklaren

dat hij Leven “Wonder der Wonderen” moet heten

Dat alles heb ik immers mijn kinderen steeds willen openbaren

En nu begrijp ik ook waarom zij zo aandachtig waren!

Crödde van Niessel