223 Wispoëzie X - Lijn van Euler

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: donderdag 27 maart 2014

 

Midden juni in negentien vier zeven

deed ik mondeling eindexamen voor het onderwijzersvak

Bij wiskunde werd mij een wit papier gegeven

waarop een driehoek, natuurlijk in het platte vlak

Ik kreeg een passer, potlood en een houten liniaal

moest construeren hoogtepunt, zwaartepunt en middelpunt

omgeschreven cirkel: dat lukte feilloos allemaal

Goedkeurende blik met hoofdknik werd mij daarna gegund

Ik dacht dat ik het had gehad op dit meetkundig vlak

Maar ik kon deze dag voor de avond toch niet prijzen

“Deze drie punten liggen alle op één rechte lijn, meneer

En dat gaat U ons, gun U de tijd, eens eventjes bewijzen”

Heel even schemerde het mij, ik dacht dat ik totaal bezwijmde

Ik nam een slokje water, bekeek secuur de ontstane situatie

Ik leverde het bewijs en haalde dat ver weg dacht ik, en wel uit ’t ongerijmde

Mijn leraar lachte opgelucht en ik groeide, voelde mij erg in zijn gratie

“En nu de laatste opdracht: bewijs dat de lengtes Haa – Zet en Zet – Oo

Tot elkaar staan als Twee tot Één”. Dat was voor mij een fluitje van een cent

trouwens voor ieder die de wetten voor gelijkvormigheid goed kent

De ligging van het zwaartepunt bepaalt die verhouding immers zo.

En zo leerde ik de Lijn van Euler op mijn kweekschoolexamen kennen

Ik had meteen bewondering voor deze oprechte wetenschapper

Hij maakte mij met al mijn branie op wiskundeterrein wat minder ‘dapper’

Aan “er is altijd baas boven baas” moest ik in die tijd nog wennen

Mijn leraar zette mij door Euler met beide benen stevig op de grond

Na tien maal zeven jaar voel ik mij nog een kleine jongen langs lijnen zwevend in ’t heelal

De rechte waarop Euler de punten Haa en Zet en Oo in hun verhouding vond

is het koord waarop ik balanceer tot ik uiteindelijk val

en niet zoals ‘De Wijze Euler’ herinnerd blijven zal

Crödde van Niessel