219 Wispoëzie VI - Kunsttoren

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: woensdag 12 maart 2014


 

Aan mijn wiskundeleraar op de R.H.B.S.–B in de Burgersdijkstraat 1

te Deventer van 1942 – 1945

Ubbo Johannes Knottnerus

 

ax2+ bx + c = 0

x2+ (b : a)x + c : a = 0

x2+ (2b : 2a)x + c : a = 0

x2+ (2b : 2a)x + b2: 4a2– b2: 4a2+ 4ac : 4a2= 0

(x + b : 2a)2– b: 4a2 + 4ac : 4a2 = 0

(x + b : 2a)2= b2 : 4a2 – 4ac : 4a2

x1 2  + b : 2a = +/- V{(b2 – 4ac) : 4a2}

x1 2 + b : 2a = +/- V(b2 – 4ac) : 2a

x1 2 = - b : 2a +/- V(b2 – 4ac) : 2a

x1 2 = { - b +/- V(b2 – 4ac)} : 2a

Hij schrijft dit alles op het bord

Geen klasgenoot weet wat het wordt

’t Lijkt een onneembaar bastion

Het blijkt een onbekendenbron

Van ixen en dat in ’t kwadraat

wat daar in ’t wit geschreven staat

Hij leest ons de tien lagen voor

Bij mij vindt hij een luist’rend oor

Wiskunde wordt tot kunst verheven

door de toren hier op ’t bord geschreven

Kunsttoren: anagram of letterkeer

Met deze naam breng ik hem d’eer

die ik hem eerder al moest geven

niet na zijn dood maar bij zijn leven

In de oorlogstijd gaf hij mij les

Ik zat toen op de haabeejes

Knottnerus, ‘k zal hem nooit vergeten

Helaas, dat zal hij niet meer weten

Ubbo Johannes is hier niet meer

‘k Breng hem te laat mijn laatste eer

Uw dankbare leerling Gerrit Kuijk

Crödde van Niessel