213 In het wild plassen

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: maandag 24 februari 2014

Ik weet voor ieder die dit leest, wordt het een puberopenbaring;

en bovendien breng ik mijn dank aan onze dichter Staring. Waarom die dank?

Dat zeg ik onverholen: het begin van dit verhaal dat is van hem gestolen.

Daarbij komt dan nog, en dat wordt ook niet verheeld,

dat dit verhaal op “Wildenborch” speelt.

En U mag tevens weten, lezer of luisteraar, of fan of nog veel meer,

Wij, pubers, gingen op het landgoed  “Wildenborch”  toch wel heel erg  te keer.

Wij scholen onder dropp’lend lover, gedoken aan de wijde plas en

voelden plots dat wij heel nodig verschrikkelijk moesten sassen.

Een zwaluw scheerde het weivlak over en wij liepen door velden vol met gras en

vonden daar een grote eik om eens lekker tegenaan te plassen

Toen wij de gulpen open hadden, begon een heel gezeik.

Wij zijn bevriend en onze namen zijn Jan, Piet en Klaas en Rijck.

Mijn vader is politieman en ik ben Jan, zijn zoon.

Mijn achternaam is Plasman, het is dus niet ongewoon

dat ik op  “Wildenborch”  zo maar stond rond te pissen.

Veel vrienden zeiden later dat ze veel hadden moeten missen.

Wij liepen vrolijk om die eik om onze plas te spuien.

Thuis had ik net hachee gehad: mijn water stonk naar uien.

En toen was plots mijn vader daar, maakte proces-verbaal.

Hij bracht ons naar het tuchthuis toe, in Zutphen, allemaal.

In zijn verslag stond ik nu ook nog als potloodventer daar,

door dat gepeuter aan mijn leuter. Pa was in zijn taal heel klaar.

Hij meldde ook dat ik in ’t bos in ’t wild geplassen had,

- maar dat was ik niet met hem eens, dat doe je in de stad –

en nog wel, tot zijn grote zorg, daar op die schone “Wildenborch”.

Wij zaten in ’t gevang te beven, want wij waren heel erg verschrik’lijk bang.

Het opgesloten zitten duurde trouwens toch ook wel heel erg lang.

En plots ging daar de deur weer open en kwam mijn vader aangelopen.

Hij lachte breeduit en hij zei: “Guiten, jullie mogen weer naar buiten,

waar de vogels vrolijk fluiten. ‘k Heb jullie lekker beetgehad. En eruit nu, zo, en dat is dat!

Maar ga niet plassen tegen bomen, want het mag niet, dat gezeik.

Wel in Vlaanderen, heb  ik vernomen, want daar kan het bij Jezuseik”.

Wij namen alle drie de benen, maar renden eerst op Vader toe.

Schopten hem keihard voor de schenen. Hij begon te lachen als een koe.

“La vâche qui rit”, riep onze Klaas, “Nu zijn wij hem toch nog de baas”.

Één lesje hebben wij geleerd: Hij die in ’t wild plast, doet verkeerd.

Het brengt soms veel stank en overlast en wie het doet, hoort in de kast.

En dit verhaal is waar geschied of gelooft U het soms niet?! Het is waarachtig werkelijk waar, net als wij daar gedrieën klaar, rechtop, dat zeg ik onverholen,

onder het droppelende lover scholen.

En mocht U mij nog niet geloven: de waarheid drijft toch altijd boven.

Maar toch … mijn vader had het mis, vermits

In het wild plassen nog geen ‘wildplassen’ is!