197 Roodblauwe Blues muziekdicht 31113

> Categorie: Literatuur Gepubliceerd: vrijdag 01 februari 2013
 

Een zangeres staat glanzend in een blauwe bloes.

De gitarist haalt heel voorzichtig zijn gitaar uit een azuren hoes.

Dan blaast de trombonist heel opgewonden zich de wangen blauw.

De klarinet ‘weeft’ ’bluesfull’ zijn hoge tonen door het concertgebouw.

Toeschouwers luisteren stil en zijn volkomen in een roes.

Want overtuigend zingt de zangeres zwevend weemoedig een schitterende blues.

 

De zwarte contrabassist slaat ritmisch zich de vingers blauw.

Zijn mooie blauwe bloes omsluit zijn brede tors heel nauw.

De dames onder het publiek genieten mede door zijn witte lach en ‘how’!

En neem ze dat eens kwalijk, want ze zijn en blijven vrouw.

Hun kerels worden heel verdrietig: Hoe hebben ze het nou?

Maar zingend pakt de ‘croonster’ de mannen in, en … gauw!

 

En na het allerlaatst accoord is het korte tijd heel stil.

Dan breekt ineens de hel los door schreeuwen en een schril gegil.

De donkere ster der blues treedt schrijdend helemaal naar voren.

Zij laat nu sprekend haar sonore stem een ieder horen.

Zij zegt in vloeiend Nederlands voor allen te verstaan:

“U ziet, geliefde mensen, wij hebben blauwe bloezen aan,

Voor ons dus een symbool van liefde voor deze stijl muziek,

Vooral bij U in Nederland gewild bij een heel groot publiek”.

 

En ik was dom en zei: “Wat is die poes toch in haar blauwe bloes een lieve kleine snoes!”

En op mijn neus kreeg ik heel gauw een watjekauw en nog wel van mijn eigen vrouw!

Ik zei nog: “kindje, moet dat nou?” en ik kreeg een roodblauwe bloes.

  

Crödde van Niessel