GDD XXXVIII Koppelwerkwoorden

> Categorie: Grammatica Deventer dialect (GDD) Gepubliceerd: donderdag 21 januari 2010

Koppelwerkwoorden bint werkwoorden zonder werkings- of toostandsaspect.  Ze vormt met toogevoegde naamwoorden, oke in verbanden, de kern van een zinne. 

Veurbeelden: Diee man (1) is rieke – is = koppelwerkwoord, rieke = bievoeglijk naamwoordà de rieke man.

Zee (2)was een hele goeie kinderärts – was = koppelwerkwoord;  een hele goeie kinderärtsà in een combinatie van woorden wördt ter wat oaver Zee ezegd.

(1)is rieke – naamwoordelijk gezegde – is = werkwoordelijk deel – rieke = naamwoordelijk deel.

(2)was een hele goeie kinderärts – naamwoordelijk gezegde – was = werkwoordelijk deel – een hele goeie kinderärts = naamwoordelijk deel.

Diee meid wördt eenflinke vrouwe. Mien vader bleef altied èven rustig. Zien breur heet Johan Frederik Berend. De Iessel streumt nooit löög. Langzamerhand kwam de zaal toch vol. 

In alle veurbeelden kan vastesteld worden dat de onderstreepte werkwoorden ofgeleiden bint van het koppelwerkwoord WÈZEN (NED. ZIJN):

Worden – zal een keer wèzen. Blieven – bie veurtduring wèzen. Heten – dezellufden wèzen as. Streumen – altied gangs wèzen. Veur bieveurbeeld kommen en lopen geldt dit alles oke.

Nog een veurbeeld met lopen: Drupken veur drupken liep het vat löög. 

NB Het werkwoord WÈZEN IS NIEET MEER en NIEET MINDER as de verbinding tussen het Onderwerp en het Naamwoordelijk deel van het Gezegde in de zinne.

 Ene en ene is (bint, wördt, maakt) twee: ond. Ene en ene; – nw. gez.  is, bint, wördt, maakt twee; – ww. deel = is, bint, maakt; – nw. deel = twee (in dit geval een heufdtelwoord) 

Disse redekundige ontleding teunt dat het naamwoordelijk deel (van het gezegde) een eigenschap, een kenmerk, een identiteit neumt van het onderwerp wööran het EKOPPELD is. 

De spraakkunst van het Standaard Nederlands neumt as de negen koppelwerkwoorden zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen.

In het Dèventers wördt achter lieken, blieken, schienen, dunken, veurkommen altied te wèzen (wèèn) eplaatst. Het wegloaten döörvan beschouw ik (Kuijk) as een neerlandisme. Hee bleek dronken à is wel juust, möör nieet Dèventers: Dèventers: Hee bleek zat (dronken) te wèèn, wèzen.

Te wèèn – koppelwerkwoord. Bleek – hulpwerkwoord van modaliteit. 

NB (1)Hee (2)bleek (3)dronken (1)achter het stuur(4) te zitten. (Het bleek, dat hee dronken achter het stuur zat.) -à (1)=onderwerp – (1)Hee zat achter het stuur. (2)bleekWERKWOORDELIJK GEZEGDE.

BLEEK is hier ZELFSTANDIG WERKWOORD. (3) Dronken heurt bie (1) Hee en te zitten:Dronken is een dubbelverbonden bepaling of bepaling van gesteldheid.