Bokse

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

"Het is eigenlijk heel gemakkelijk", zei mijn buurman op de bij-eenkomst van onze dialectkring. "Kleren werden in de vroegste tijden van dierenvellen gemaakt. Die vellen werden in deze streken door de Germanen eerst gelooid. Die techniek beheersten ze. Broeken maakten ze ook van het leer dat dan heel goed voor kleermaken gebruikt worden kon. Geiten hadden ze voor de melk, bokken voor het vlees en het leer. Een broek van boksleer noemden ze een 'bokse'. Ik barstte bijna in lachen uit, want ik geloofde er niets van. Intussen had ik een paar mooie uitdrukkingen van de inleider gemist; ik ging 'neerstig' weer het een en ander noteren. ''t Is bokse en boezeroen met dee beiden' of 'Die twee zijn beste maatjes'; 'An de bokse blieven hangen' of 'Bij een verkoop aan een veilingstuk blijven hangen'; 'Enen achter de bokse zitten' of 'Iemand tot haast manen'; 'Enen de bokse opbinden' of 'Iemand als een klein kind behandelen en bedillen'; 'Veur de bokse kriegen'. Ik stopte met noteren. Het was wel genoeg. Ik wou het verhaal over platnamen voor allerlei zaken in en om het huis verder rustig aanhoren.

Na afloop, om een uur of twaalf, liepen we naar de Brink. In deze buurt woonden ze voor de oorlog, de pinda-mannetjes, door ons ook wel pinda-chinezen genoemd. Het waren Chinezen, die om hun hals een grote rechthoekige koffer of boks droegen met een lekkernij, die ik altijd "pinda-lekka" noemde. Die 'koek' had rechte hoeken, was misschien een halve centimeter dik, en bestond uit gebrande 'ölienötjes', die met stroop tot één massa gekit waren. Er zat meestal een 'zuugpapiertjen' om, een doorzichtig velletje papier, waardoor de 'wafel' niet dadelijk aan je hand kleefde. Koffer, doos of boks, hier had ik 'de köttel bie het schone ende'. Een boks was een doos. Dat wist ik natuurlijk allang, maar ik was het even kwijt geweest. "Da' s de olde dag", zou mijn moeder zeggen.

Nu sta ik achter het huis mijn caravan, mijn woondoos, mijn trekboks te bewonderen. De sticker rechtsboven achter vertelt dat de wagen weer een jaar mee kan. Nog beter, er mankeert niets aan de 'kore'. Ik moet alleen de gordijntjes nog ophangen voor het intieme, het knusse leven op campings op het platteland. Ik denk aan die keren dat we in de Achterhoek, in Drente, in Twente, in Groningen kampeerden. Hoe vaak hebben we meegemaakt dat er een kampeerbus, kampeerbos, kampeerboks het terrein opkwam. Ik moet hardop lachen dat maar zo de verwantschap tussen bokse en busse in me opkomt. Een bos, busse, bokse is immers een huls, een omhulling om er zaken in te verbergen of op te bergen. Ik kijk naar beneden, naar mijn wijde broekspijpen. Zijn dat omhullingen om mijn witte melkflessen in op te bergen en te verbergen of niet? Op dat moment komt mijn vrouw buiten. Ik trek net mijn 'brookspiepen' wat op. "Ja, ik zou de korte broek maar aantrekken, het is er echt weer voor", zegt zij. Ik loop maar gauw naar binnen. Ik zeg niets.

Ik 'kleje mien umme'. Als ik met mijn lichte korte bokse in de handen sta, realiseer ik me dat het twee keer een bus of boks is. Zou de 'ee' achteraan in bokse erop duiden dat bokse feitelijk meervoud is? Ik weet het niet, en ik ben niet van plan bij dit mooie weer ook nog met Plat bezig te gaan. Ik ga naar beneden. De tafel is gedekt. Vanmiddag eten we brood, dat is een uitzondering. Midden op tafel staat de beschuitbus. "Ik zal eerst eens een beschuit uit de boks pakken", zeg ik nadrukkelijk. "Je moet niet altijd zo met Taal bezig zijn", zegt Ali. Ik kijk haar grijnzend aan blijkbaar. "Ik zie het aan je grijns", zegt ze. In de verte klinkt een knal. Schrikken. "Een jachtbuks", zeg ik.