Boaken

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

"Hier heb je de kaartstok. Zou jij nu de IJssel aan willen wijzen?" _.. "Goed zo! Je woont hier in Olst, dus je weet dat die rivier bevaarbaar is. Meester heeft het geluk gehad als jongen nog geen tweehonderd meter van de rivier af te wonen. Bovendien woonde er bij hem in de straat een man, hij droeg altijd een manchester pak en hij had een uniformpet op met een zilverkleurig plaatje voorop, een zogenaamd embleem, die bij Rijkswaterstaat werkte. Dat was voor de grote oorlog die zeven jaar geleden geëindigd is. Hij was kantonnier. Hij was belast, heet dat, met het onderhoud aan een stuk IJssel dat langs de stad liep. Een kanton is namelijk een vak, een stuk van het riviergebied. Zo'n stuk riviergebied moest hij met gereedschap, schop, hamers, houweel, en met materialen zoals basaltkeien voor de kribben en palen en tonnen om de vaarweg af te bakenen, onderhouden.

Die kribben steken met hun hoofden de IJssel in; dat hebben jullie vast wel eens gezien, want je bent vast wel met de pont naar Welsum overgestoken. Op die kribben staan palen. Boven in die palen zitten tekens. Die tekens zijn nog zichtbaar, als het water heel hoog staat. Het zijn merktekens voor de schippers, dat ze niet op de wal komen te zitten, want ze moeten in de vaargeul blijven. Jullie hebben ook wel van die grote dobbers zien drijven; die dansen op de stroom. Dat zijn drijvende bakens. Nu kan iemand van jullie me vast wel vertellen wat een baken is!" _ .

"Heel goed! Die kantonnier waar ik het net over had, heeft mij dit allemaal verteld. Van hem weet ik ook hoe zijn chef genoemd werd, zijn baas dus. Dat was een bakenmeester. Ik heb hem ook gezien. Hij droeg een keurig uniform, het leek wel een officier bij de marine. Hij droeg ook een pet met de leeuwtjes van Rijkswaterstaat erop, maar die was goudgerand. Hij had van die mooie gouden ringen om de mouwen van zijn blauwe jas. Ik wist wat ik worden wou toen ik hem zag: bakenmeester! Hij was de baas, de opzichter, van alle bakens in een streek en _ hij droeg een prachtig pak! Als ik eens zo'n baas was. Ik kon dan de bakens verzetten zoals ik wilde! Maar dat begrijpen jullie, denk ik, niet helemaal".

In deze trant gaf ik in 1952 aardrijkskunde. Na die les nam ik de kinderen mee naar de IJssel in de hoop dat de zwart-gele waterwesp, zo noemde ik het waterschstaatsscheepje, langs Olst zou varen. En ik hoopte dat de kinderen zouden zien, hoe de kantonnier met zijn peilstok de diepte van de vaargeul mat. De trotse bakenmeester zou zeker het roer van het schip bedienen. En ik had geluk. Rijkswaterstaat was bezig! De kinderen schreven daarna een prachtig opstel over de IJssel. Ik herinner me het begin van een van die verhalen. 'De IJssel is een rivier. Het is geen kanaal. In een rivier stroomt het water. In een kanaal meestal niet _. .

Als ik vandaag weer les zou moeten geven, zou ik het weer precies zo doen, alle vernieuwing ten spijt. Alleen zou ik er wat meer 'taal' bij betrekken. Ik zou de kinderen van groep zes laten zien waar baken of baak misschien vandaan komt: "Baken en baak is hetzelfde. Een baak is oorspronkelijk een vast punt dat gemerkt is, langs een vaarwater. In jullie eigen taal, het plat van deze streek, is het een boaken. De oude Saksen van duizend en meer jaar geleden kenden dat woord al als 'bokan'. Misschien hebben jullie wel gehoord van een 'boake' of 'poasboake'. Dat is het vlammende teken van de lente, denk ik. Een boake is een merkteken op het land geworden. Als jullie plannen hebben voor je toekomst, zet dan voorzichtig bakens uit! Probeer die vaarroute of reisroute te volgen. Begrijpen jullie dat? _ Je kunt altijd onderweg je route wijzigen, want soms moet je wel!"