Bleuj

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Arjen Duinker is een van de voornaamste verzenmakers van Nederland. Van hem zijn onder andere bekend 'Rode oever', 'Losse gedichten', 'De gevelreiniger en anderen'. Volgens Duinker moet ieder gedicht in alle talen op de wereld bestaan kunnen. In de brochure 'Wereldgedicht' lees ik dat. Ik lees ook dat de 'Stichting Litteraire Activiteiten Leeuwarden' probeert 'De Steen Bloeit' in zoveel mogelijk talen te doen 'overzetten'. Op aandringen van mijn zwager, de oud-Deventenaar Wim Witteveen, zal ik een poging wagen dit gedicht van Arjen Duinker in het Nedersaksisch te vertalen. Ik moet eerst het origineel maar eens goed lezen.

De Steen Bloeit/ De steen bloeit. De steen die niet kan bloeien, Wat bloeit die steen./ Zijn bloesems zijn veelkleurig. Gekleurd als de wolken, wanneer de maan hen beschijnt, Gekleurd als jouw ogen, liefste, En warm. Gekleurd als vrolijke ideeën, Veelkleurig als golven die tot aan de horizon golven,/ Wat bloeit de steen, Wat bloeit de steen die niet kan bloeien.../ Hij geurt naar de wind die het gehuil uiteenslaat, Hij geurt naar het vanzelfsprekende, Naar bloed, Gepofte kastanjes, Drukte in de straten. Hij geurt naar een vrijheid van zien en voelen En betovert veelkleurige vlinders./ Zo bloeit de steen, De steen die niet kan bloeien. Ik kom terug, Ik kom terug, liefste, met een van zijn bloesems./

Ik zal geen tijd opnemen bij het vertalen. Ik moet immers de bloei van de steen helemaal terugdraaien en die bloei in Nedersaksen laten plaatsvinden. Gelukkig kennen we in het Oudsaksisch 'blojan', in het Nedersaksisch bleujen. 'bleusem' en 'bloom' zijn van 'blojan' afgeleid. Een 'bleusem' is een 'bloom' waaruit zich later een vrucht ontwikkelt, en dat is volgens mij het wezen van dit gedicht. De steen gaat vruchten voortbrengen. Dat houd ik bij mijn vertaling voortdurend in de gaten! Een 'steen' is een harde delfstof, een 'kei' of 'keie' een rolsteen, een 'klinker' een hardgebakken steen. Om die steen gaat het volgens mij, de door de mens hardgebakken steen, die doods is en de aarde 'vervult' met onvruchtbare blokkendozen. Steenwoestijnen ontstaan, onleefbaar. Door deze associaties kom ik tot de volgende vertaling:

Bleujende Bakkeie/ De bakkeie bleujt, Dee keie dee neet bleujen kan, Wat of dee bakkeie bleujt./ Zien bleusems bint völvervig. Kleurig as de wolleken, as de moane derop schient, Kleurig as oew kiekers, schat van mien, En wärrem. Völvervig as uutgeloaten gedachten, Völvervig as golleven dee tut in het verscheet golleft./ Wat of dee bakkeie bleujt, Wat of dee bakkeie bleujt dee 'geeneet bleujen kan.../ Hee geurt nöör de wind dee het hulen an stukken slöt, Hee geurt nöör wat bie ons heurt, Nöör blood, Gepofte tammerkestanjes, Stroatlawei. Hee geurt nöör een vrieheid van zeen en veulen En beteuvert völvervige vlinders./ Zo bleujt de bakkeie, Dee bakkeie dee neet bleujen kan. Ik komme weerumme, Ik komme weerumme, schat van mien, met ene van zien bleusems./

Na lange arbeid overzie ik de woestijn van mijn werk. En ik krijg plotseling een associatie als ik het geheel nog eens lees. Een lied schiet mij te binnen, dat ik vroeger op de Juliana-school in Deventer leren moest: 'De dorre vlakte der woestijnen zal zich verblijden eindeloos; de zandzee zal herschapen schijnen, want bloeien zal zij als een roos ... '. Dit is inderdaad een wereldgedicht! Het geeft zicht op de wereld die komen kan.

Ik pak een briefomslag en adresseer: SLAL Wereldgedicht, Postbus 323, 8901 BC Leeuwarden. Afzender: G.W. Kuijk ... . Vertaald in het Dèventers, een Nedersaksisch dialect, denk ik dan. Een klinker die als een knop zich opent tot een bloesem. Dat is Bleuj!