Bisvlege

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

"De beesten liepen as op'ejaagd deur de weiens. In de verte rolden de donder langes de lucht. De beide keerls stonden oaver het hekke eleund noa de kooien te kieken. "Ze bint aerdig an 't bizzen", zei den oldsten. "Joa, zee hebt gin rust in de bokse", antwoordden de jongsten, "der zal wel een flinke schoere kommen"."

Ik stond erbij en ik keek ernaar in de hitte van deze dag. Wat een zomer! Gevolg van het broeikaseffect? De koeien waren inderdaad onrustig. Ze liepen snel heen en weer, soms gooide er een de achterpoten in de lucht en de staarten hingen nooit stil. Eén dier liep als een haas hakig te springen, als wilde ze een bisvlege van zich afschudden. Een bisvlege is een runderhorzel, die de koeien irriterend op de huid kan zitten met venijnige steken. Van die steken of beten worden de beesten zo onrustig, dat ze aan het bizzen slaan. Ze gaan zenuwachtig heen en weer rennen. In het Middelnederlands gebruikte men 'bissen' of 'bisen'. Toen liep het vee dat door bisvliegen gestoken was, al wild rond. Natuurlijk is er direct verband tussen bissen of bizzen en bisvlege. Misschien dat het steken dat de horzel doet, het zogenaamde bijten, in het Hoogduits 'beiszen', de kern is van beide woorden: 'Er ist gebissen worden' of 'Hij is gestoken'. 'Gebissen' heeft als grondwoord 'biss' of 'beet'. Beide woorden komen in het Nedersaksisch nog steeds voor. Een dier dat door een horzel ebissen is, gaat bissen.

Hoewel we zeggen: "Een wepse hef mien ebeten", bedoelen we daarmee niet dat een wesp in ons de tanden gezet heeft. We bedoelen: "estoaken". Er zit iets gemeenschappelijks in bijten en steken. Beide woorden geven aan dat er iets 'gespleten' wordt. In het Oudindisch vinden we dan ook het woord 'bhinadmi'. Dat betekent 'ik splijt'.

In het Oudhoogduits treffen we 'bizan' aan, in het Oudsaksisch 'bitan'. Deze woorden zijn ook weer verwant met elkaar en met het Latijns 'findere'. Findere is splijten. Het lijkt allemaal heel logisch, maar ... er zit een addertje onder het gras. Bizzen, bissen of biezen hoeft niets met bijten te maken te hebben. Iemand die het spoor bijster of biester is, loopt maar wat rond. In het Oudhoogduits bestaat 'bison' of 'bisen', wat al 'onrustig rondlopen' betekent. Een bisvlege is dan niet een vlieg die steekt of bijt, maar een vlieg die er de oorzaak van is, dat het vee onrustig wordt. Over de eventuele verwantschap tussen 'bijster' en 'bijten' weet ik helemaal niets. Overigens zou het tafereeltje, zoals hier geschilderd, van die beide boeren die naar het onrustige vee staan te kijken, een heel passend begin zijn van een degelijke boerenstreekroman. Het voordeel van zo'n roman is, dat allerlei woorden en uitdrukkingen uit de streektaal op een natuurlijke wijze hun weg naar de lezers vinden. Bijvoorbeeld uitdrukkingen als: 'Loat de boeren möör dörsen, azze wieluu het zoad möör kriegt' of 'Katten en vrouwluu heurt in huus'. Als de boeren en de vrouwen in zo'n roman dergelijke gezegdes serieus opvatten, zullen zij zich als door een runderhorzel gestoken voelen en zij zullen zeker aan het bijzen slaan; en dat is het mooie van een streekroman: er wordt veel gebijsd of gebeersd of gebiesd. En 'beerzen' is dan weer hetzelfde als 'bizzen'. Vandaar dat naast 'bisvlege' met een korte -i- 'bee(r)svlege' met een lange -ee(r)- voorkomt.

"As d'n enen bist, stèèkt d'n anderen de stärt op", zegt men wel als iemand ergens mee begint en al dadelijk anderen volgen. Daar houd ik het maar op, ook in dialectland. Want daardoor komen en blijven bepaalde zaken "in". En ik zou wel graag willen dat, Staatssecretaris Kohnstamm ten spijt, Nedersaksisch "in" bleef.