Beums

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Als ze mij passeren, hoor ik het meisje klaaglijk tegen de vrouw, vast haar moeder, zeggen: "Moo, mien hendjen dut nog zon piene". "Loa kiek'n". En Moeder neemt het kleine handje in haar grote hand met een liefdevolle blik het bruine plekje op de duim bekijkend. "Oh, 't is ook lellijk eskaafd, mar der kump al een reufken op; kiek zelluf". "Wat is dat, 'n reufken?" vraagt het kind. "Da's een korste, dee geet niej vel maken", is het antwoord. "Straks begint 't te jeuk'n en de piene is vort!" Het meisje lijkt op slag genezen. Ik kijk de moeder en haar kind nog even na. Die moeder kent het Nedersaksische 'rove' nog. Het Oudsaksische 'hruft' zal ze zeker niet kennen. Maar dat geeft niet. Ik ben blij te constateren dat 'reufken' nog gebruikt wordt, met umlaut en al. En dan schiet me maar zo dat Duitse rijtje manlijke meervoudsvormen met umlaut te binnen, die ik er bij juffrouw Van Gulpen vroeger zo moeizaam in gestampt heb: Acker - Apfel - Bruder - Faden -Garten - Graben - Hafen - Hammer - Laden - Mantel - Nagel - Ofen - Schnabel - Vater - Vogel. Äcker - Äpfel - Brüder en ga zo maar door waren de meervouden, die door inwendige verandering uit enkelvouden ontstonden. Wat een Wonder!

Terwijl ik verder loop, bedenk ik hoeveel ik bij het begrijpen van de term 'umlaut' aan mijn Nedersaksische dialect heb gehad. Bij de verkleinwoorden bijvoorbeeld: roof - reufken, doos - deusken, boot - beutjen; zomaar drie voorbeelden met -oo-. Nooit werd mij echter uitgelegd wat 'umlaut' nu precies 'deed', wat er in je mond 'gebeurde'. Tot ik bij het lesgeven aan een eind-examenklas op de ULO het plotseling aan mezelf moest 'verklaren'; ja, herinner ik me, ik moest mezelf helderheid verschaffen.

Een van de leerlingen kwam ermee: "Meneer, wat is nu feitelijk umlaut. Letterlijk zou ik het vertalen met het 'omluiden'. Maar dat zegt mij niks! U bent zo beums, U weet dat vast wel". Ik moest op deze vraag meteen ingaan, begreep ik; bovendien reikte hij mij een woord aan, dat ik als voorbeeld gebruiken kon: beums. De jongen kwam kennelijk uit het hartje van Salland. Ik sta even stil op mijn wandeling, net als toen, in die klas. "Bedoel je met 'beums' dat ik uit de kluiten gewassen ben als een boom?" lachte ik om tijd te winnen. "Ja, lichamelijk en geestelijk", lachte mijn vriend.

Ik besloot mezelf een lesje 'klankleer' te geven.

Op het bord schreef ik 'boot - beutjen - beetje'. "Allemaal duidelijk uitsprekend lezen". En daar klonk het, zesentwintig-stemmig. "Nog eens; en in je mond 'proeven' wat er gebeurt". "De klinker verandert". Maar dat wisten we al. "De lippen gaan steeds minder rond staan!" riep een meisje. "Ahaaa", dacht ik, "ik heb het!" Het was een juichende gedachte: "De geronde -oo- wordt een veel minder ronde -eu- en die weer een veel minder ronde -ee-. Wie kan voor dat verschijnsel een naam bedenken?" "Ontronding van een klinker", zei er een. Ik blijf op het trottoir weer staan. "Wie was dat ook al weer?" vraag ik hardop. Iemand kijkt verbaasd naar me. Ik ben meteen weer bij de les.

Beums, zo'n ontdekking, heel stoer. En onze Saksische dialecten maken van dat verschijnsel van de ontronding van klinkers zo'n dankbaar gebruik: spat - spetjen, bok - buksken, stok - stöksken, book - beuksken, noad - nöödjen, vore - veurtjen, bak - beksken, boom - beums. En dit is een kleine selectie uit één bepaald Achterhoeks gebiedje. Ons Nedersaksisch staat nog als een levende boom in het Europese landschap. De stam staat er beums en toch buigzaam als een met levenssappen gevoed gewas eigen is. Ik houd van die beumse bruine beuk met zijn vele glinsterende tinten. Ik zal helpen hem levend te houden. Dat beloof ik.