Bats

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008
Ik fiets het bord 'BATHMEN' voorbij. In deze kleine Overijsselse gemeente voel ik me altijd thuis, als ik er eens kom. Ik vind dat er een ontspannen en vriendelijke sfeer hangt; neen, niet de sfeer van 'olde jonges krentenstoete', maar de geest van 'het nog een olde hechte gemeenschap wèzen'. Het is een gemeenschap waar het niet uitmaakt wat men is, maar hoe men is. Natuurlijk mag ik zo niet generaliseren, maar mijn gevoel redeneert nu eenmaal niet, het trilt alleen maar als ik ergens kom. Zo denkend, steek ik de spoorlijn Deventer - Holten over. Aan de andere zijde rijd ik een man voorbij. Hij heeft een 'batse' over de schouder. Op het moment dat ik hem passeer, draait hij zich naar links, waarschijnlijk om te kijken 'wee is dee fietser'. Het blad van zijn panneschop slaat met dof geluid tegen een metalen paal. De man 'battert' tegen de grond; het kletst de stilte door. Ik spring meteen van de fiets en vraag: "Hei'j oe ook zeer edoan?" Hij knikt met een vertrokken gezicht: "Een betjen mar. Möör bin iej neet eschrokken?"

Ik help hem overeind. "'t Is mar goed da'k mien olde kleren anheb', anders ... ". De rest van de zin slikt hij in. "Ik bin op weg nöör 't land, dat mo'k nog een betjen ummemaken". Ik vraag of ik een eindje mee mag lopen, want ik wil hem eigenlijk wel wat over die bats vragen die hij bij zich heeft. Hij vindt het prima dat ik meeloop, want "dan he'k nog wat anspraak". Ik begin over de schop: "Wöörumme heet zon skuppe noe een batse?" Hij staat stil, kijkt me verbaasd aan en zegt een beetje verongelijkt: "Meneer, mo'j is goed luusteren, ik bin onderhand tachtig jöör; iej mot mien neet veur de gek holden. Of bi'j zoo dom?" Ik knik dat ik inderdaad zo dom ben. Dan klaart zijn gezicht helemaal op. Op een tuinmuurtje langs de weg gaat hij zitten. Ik zet me naast hem. En hij vertelt dat hij vroeger weleens voor de 'batse' kreeg van zijn vader. En zo'n pak op je billen wou toen nog helpen bij je opvoeding. Dan pakt hij zijn schop en toont mij daarvan de rugzijde: "Kiek iej is noa dee twee billetjes met dat spleetjen dertussen". Ik kijk. Werkelijk, de achterkant van de platte, geronde schop lijkt op het achterste van een mens. "Joa, ik zee het; möör döörmee verleg iej de vroage ...". En ik vraag hem hoe de billen van een wezen aan de naam bats komen. De oude wijze man lacht: "Iej mot neet alles willen weten, want dan is der niks meer uut te zeuken. Hoe kump een ärm mense an luzen ... ? Meskiens kump bats van pats, een klap veur de konte".

Nu gaat me ineens een licht op: het woord bat, dat 'slag' betekent, ligt aan vele woorden ten grondslag. Battre is het Franse woord voor slaan. Een bat, uit het Engels, is een lang slaghout bij cricket; een batje is het slagplankje bij tafeltennis. Het Engelse battle betekent een 'oorlogsslag'. En de bats is de plaats waar de rug van naam verandert en waar men je zo lekker voor kan slaan. De panneschop is misschien batse gaan heten, op grond van vergelijking met het achterste van de mens.

Mijn oude vriend blijkt nog een uitdrukking te kennen, die ik nooit gehoord heb: "Van een luie keerl zeien ze vrogger vake: Hee is zoo lui dat e zien batse as zadel gebruukt". Ik vind het een mooi gezegde.

We staan op en lopen verder naar het stukje land, waar mijn vriend nog wat groenten en vroege aardappelen wil verbouwen. Daar nemen we afscheid. "Iej hebt 't emerkt; alles zat der nog an en ik liepe nog as een kiefte!" roept hij me na. "Joa", roep ik terug, "möör doot der kalmpjes mee an!"

Dan schik ik mijn bats in het zadel en ik schiet in de lach, want ik zie in gedachten een luie kerel zitten.