Anpriesgrei

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008
Toen hij zat, begon de man meteen zijn verhaal af te steken. Hij vertelde dat hij het Nedersaksisch "een warm hart" toedroeg, maar dat hij er niet tegen kon dat "zien sproake" steeds meer "taalvervuiling" onderging. Dat kwam volgens hem door het voortdurend "overnemen" van vreemde woorden. Mij vroeg hij mijn mening daar eens over te geven. Ik zei: "Mijn overtuiging hebt U kunnen lezen in mijn geschriften; ik ben het niet met U eens. Als jongen van een jaar of tien kreeg ik van de petroleumventer 'De Automaat' als hij aan de deur kwam. Petroleum, weet ik nu, betekent letterlijk 'rotsvet' of 'rotssmeer'. Automaat is 'zelfleger' of iets dergelijks, misschien 'zelfvuller'. Ik hoor mij al tegen U zeggen: "Vrogger kwam bie ons de rotssmeerkeerl an de deure en dan kreeg ik van hem 'De Zelfvuller' eschonken". 'Cadeau' kan in Oew opvatting natuurlijk neet". Hij wilde meteen reageren, maar ik ging door. Ik zei hem dat ook voor onze dialecten vreemde woorden taalverrijkend werken kunnen. Verengelsing, dat is totale 'opgang' in het Engels, zou ik echter ook niet willen. "Daarom kan ik me Uw standpunt wel indenken".

Of ik hem toch helpen wou, vroeg de man. "Waarom niet?" Hij zei dat hij een lijst wilde samenstellen van woorden die best in het Nedersaksisch en het Nederlands te vertalen waren, maar dat zijn eigen taalschat te gering was om dat te volbrengen. "Steek maar van wal".

"Computer". "Samensteller of samenvoeger of inmekaerschoever", zei ik meteen". Hij keek me een beetje vreemd aan. "Motor". Ik vertelde hem dat het Latijnse motor 'bewegen' inhoudt en dat beweger, bewèger, of eigenbewèger heel goede vervangers van de motor zijn zouden. "Auto of automobiel". Daarmee maakte hij het me al heel gemakkelijk, want uit het Frans ken ik immers 'voiture'. "Zelfrijtuig of -rietuug", gaf ik hem. Steeds vreemder keek hij mij aan. "Televisietoestel". "Wijdkijkding, wiedkiekdeuze, kiekvenster". Ik gaf hem te kennen dat er woorden genoeg te bedenken waren, als je maar van de letterlijke betekenis van de woorden uitgaat. "Reclame", zei hij. Daar had ik op gewacht. Ik liet hem mijn bruine 'Woordenboek van het Deventer dialect' zien. "Zoek op 'anpriezen'", zei ik. "Het staat op bladzijde 16". Hij zocht en vond: "Anpriezen, werkwoord, prees, eprezen, aanprijzen, reclame maken". Hij las tevens voor wat er boven stond: "Anpriesgrei, zelfstandig naamwoord, reclamemateriaal". Ik legde hem uit dat 'prijzen' uit het Middellatijn stamt, en ook al geen oorspronkelijk Nedersaksisch woord is, dat 'grei' te maken heeft met het Middelnederlandse 'gereed' en ons 'gereedschap', en dat grei weleens echt Nedersaksisch zou kunnen zijn. Toen gaf hij zich over.

"Ik vind al die vertaalde woorden zo raar klinken, soms zelfs zo Duits", aarzelde hij. Ik lachte en zei: "Dit mooie bruine boekje is door een commissie samengesteld. Geloof van mij maar, dat er een lange vergadering geweest is over het al of niet opnemen van 'anpriesgrei'. Ik vind dit trouwens een mooi woord, maar ... ik gebruik het nooit. Als bij ons het reclamemateriaal in een bundel op de mat ploft, zoeken mijn vrouw en ik daarna uit of er iets voor ons bij is, maar meestal zeg ik: "Weer niks, allenig möör een zeutjen old papier". Maar één krantje is er iedere week bij, dat mij doet denken aan die goede oude Automaat. En dan denk ik aan 'Pijpje Drop', die zwarte jongen, die altijd weer een avontuur beleefde. Iedere strip over hem eindigde met "Hoe het Pijpje Drop verder vergaat, staat in de volgende Automaat". Dat was nog eens anpriesgrei. Als we de pet van de venter zagen, riepen we al: "Moder, hei'j nog pieterölie neudig?"