Anlangen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008
Na de wandeling van een kilometer of zes rusten we heerkijk uit in deze uitspanning. Fijn is het in het zonnetje achter glas. De frisdrank parelt voor onze neus. Wat hebben we in deze ogenblikken meer te verlangen? Genieten doen we, met volle teugen. Meer begeren we niet. Verlangen of begeren, over een 'lengte' uitzien naar iets of iemand. Zo'n woord bedenk je niet. Zo'n woord is gegroeid. Dat uitzien over een lange tijd naar bijvoorbeeld het einde van een ziekte, het aflopen van een oorlog, het behalen van een diploma kan een mens bij lange duur de hoop doen verliezen, zichzelf verveeld laten afwachten of eindelijk komt wat verlangd wordt. En terwijl ik nu geniet van mijn drankje, zie ik mezelf weer met broeder Eggink lopen op de anderhalf-uurs wandeling, dagelijks, vanuit het sanatorium in Hellendoorn eenenvijftig jaar geleden, reikhalzend kijkend naar de toekomst: wanneer mocht ik eindelijk naar huis! Nu heb ik weer anderhalf uur gedaan over zes kilometer en ik verlang nog steeds niet naar huis. Straks gaan we lekker samen genieten van een broodmaaltijd, maar ik verlang nog niet naar eten, want voor de wandeling hebben we een smakelijke pannenkoek gegeten.

Om vijf uur precies worden we aan tafel gevraagd. We laten ons maar één keer 'neugen'. De voorzitter van 'Regio-Contact' vraagt een ogenblik stilte. Dan kunnen we de soep opscheppen, twee soorten, groenten- en tomatensoep. Ik reik mijn bord aan voor de tomatensoep. "Joa, lanct mien oew bördjen mar an", zegt een man twee plaatsen verderop. Ik moet een beetje lachen. Hij zegt het namelijk op een toon die aangeeft dat hij nooit het woord 'anlangen' of 'langen' gebruikt. Waarom hij dat nu wel doet, is mij niet duidelijk; misschien weet hij wie ik ben en wat ik doe. Dat kan me trouwens weinig schelen, ik vind het gewoon leuk 'anlangen' nog eens te horen, vooral omdat dit gewestelijke woord in het standaard Nederlands doorgedrongen is, en in de literaire taal zijn weg gevonden heeft als 'aanlangen'. Ik hoor 'anlangen' zelf liever dan 'aanreiken'. Laat men dan maar 'angeven' of 'aangeven' gebruiken. Al etend overdenk ik deze zaken. Intussen praat ik natuurlijk ook met mijn buurvrouw. Die blijkt in Nunspeet te wonen. Maar zij komt oorspronkelijk uit Amsterdam. Dat is ook te horen en dat vind ik prettig. Iedere Nederlander giet over zijn spraak zijn eigen sausje.

"Vrouwe, lanct mien de zoltpot nog ens an ..." Aan deze regel uit een oud humoristisch vers van ene mijnheer Keupers moet ik plotseling denken. Helaas ken ik het niet meer uit mijn hoofd, maar het is erg grappig. Het zout moet in dit gedicht alles aan het 'griezelige' eten goed maken. Het voorkomt niet enkel bederf, het voorkomt ook maagbederf.

Het grondwoord van 'langen' is 'lang'. Iets wat lang is, heeft een grote lengte. In het Oudsaksisch is het 'lang', in het Gotisch 'laggs', uit te spreken als 'langs'. Het Oudengels en het Engels kennen long. In een aantal Nedersaksische dialecten wordt in plaats van 'langer' 'langs' gebruikt: "Hoe langs hoe meer". In het Latijn kennen we 'longus'. In vrijwel alle Germaanse talen komt 'lang' in een of andere vorm voor. Duizenden jaren is dit woord al in gebruik. Ik bedenk plotseling dat ik mensen nog een heel oude vorm kan 'anlangen' over een lengte van duizenden kilometers: 'dirghag'. Het is Oudindisch en het betekent 'lang'. Het moet ergens te lezen zijn geweest en men ziet verband met 'lang'. Ik zie dat niet. En ik kan niet meer anlangen dan dit geschreven woord. "To, lanct mien nog is een breudjen an", zeg ik. Ik onderhoud me verder met mijn tafelgenoten en ik zal later wel eens 'prakkezeren' wat er nog meer te weten is over 'anlangen'.