Anhalen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008
Hoefsmeden had je toen nog in alle steden en dorpen, ook in Overijssel en Gelderland. Kachelsmeden waren meestal tevens hoefsmeden, herinner ik me; er waren smeden en smidsknechten die bang voor paarden waren. Zo'n smid heb ik gekend. Hij heeft nooit een paard beslagen. Maar hij was toch hoefsmid. Zijn knecht was daar letterlijk 'meester' in. Meester Smid was dus vaak geen schoolmeester. Zo werkte dat systeem toen.

De smid waar ik in de vakanties werkte, was geen hoefsmid in de ware zin. Het paard was al op de terugweg. Af en toe kreeg hij nog een paard te beslaan. Hij dreef dan voorzichtig het paard in 'huus', zoals hij de stalen rechthoekige stangenconstructie noemde die hijzelf gesmeed had. 'Hee haalden wat remen (riemen) en kettings strak an. En dan begon der een beujend (boeiend) spel met wit vuur, iezers, klok- en hamersloan'. Die laatste zin uit dat dialectverhaal dat ik eens schreef, maar kwijtgeraakt ben, zal ik nooit vergeten. Het beslaan van een paard was voor mij boeiend als een licht- en klokkenspel. En in gedachten haal ik die zin nu aan om me te steunen bij het zoeken naar dat verhaal in de chaos van mijn eigen, nog met de hand geschreven, werk. Ik vind het niet.

Wat zal ik me nu weer eens aanhalen om die geschiedenis boven water te halen? Aanhalen ...., aanhalen, denk ik tussen aanhalingstekens. En dan ben ik plotseling aan het aanhalen. Een ketting aanhalen, een gezegde aanhalen, zich veel werk aanhalen, een moer aanhalen, water aanhalen, een kind aanhalen - dat is dan een aanhalig kind - , zich moeilijkheden aanhalen, uithalen om te slaan. En dan zie ik me plotseling weer voor de klas staan. Ik haal uit. Nee, ik wil echt niet slaan, het is enkel een uiting van onmacht. Jan bukt zich. Hij slaat met de neus op zijn tafeltje. Bloedneus. Wat heb ik me nou aangehaald? Het is bijna twaalf uur gelukkig. Ik breng hem achterop de fiets thuis. "Hoe ko'j oe dat noe anhaaln?" zegt zijn vader streng. "Dat had heel anders of kunnen lopen". Bedeesd fiets ik naar huis.

Halen komt in het Oudsaksisch voor als 'halon'. Vermoedelijk werd het toen, honderden jaren geleden, al uitgesproken als 'haaln'. De andere boekenwetenschap over dat woord herinner ik me niet. Ik grijp mijn etymologisch woordenboek. Er glijdt een velletje papier achteruit nu ik het open. Even lezen. Het is mijn korte peerdenverhaal. Het is meer een gedicht: Besloan/ - De schimmel steet/ De smidsknecht geet/ Drif haer in huus/ Völle gedruus/ Wit vuur en iezers/ flessen met wiezers/ klok- en hamerspel/ De merrie gleuft het wel/ Blif rustig stoan/ Kan noe weer goan.

Hoe kan ik zo'n impressie zo verkeerd in mijn herinnering hebben? 'Met anhalen mo'j veurzichtig wèèn, Gerrit', denk ik, 'iej mot zörgen da'j dan altied de tekst derbie nemt!'

Zo, nu even op bladzij 320 kijken naar halen: ik vind dat halen in het Middelnederlands halen is, in het Oudsaksisch, Oudhoogduits halon, in het Oudfries halia, in het Oudengels geholian, en in het Middelengels halen (Engels to hale, to haul) Het blijkt een volledig Germaans woord te zijn, niet bekend buiten het Germaanse taalgebied. Als ik er een artikeltje over ga schrijven, moet ik om twee dingen denken: ik haal me er heel wat mee aan en ik moet niets letterlijk aanhalen wat ik slechts in mijn herinnering heb. Ik betrap me er op dat in dat laatste een geweldige tegenstelling zit. Aanhalen wat nog slechts in je herinnering bestaat. Daar zijn al veel, ook grote, schrijvers de mist mee ingegaan.

Zo, ik kan aan het werk. Het onderwerp wordt heel anders dan ik me voorgenomen heb. 'Anhalen' tik ik. Eén voordeel heb ik nu: "Wat kan ik allemoale neet anhalen?"