Anbossen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008
"Wee biedt der nog meer. Eénmoal, andermoal ... Twintig gulden ... Dertig gulden ... Dat bost lekker an!" roep de gelegenheidsveilingmeester op de veiling voor zijn vereniging. "Dat bost lekker an", denk ik, en ik zie beelden uit vervlogen jaren, jaren die ook lekker angebost zijn. Ik zie ons in de oorlogsjaren weer zitten. We halen met een man of acht de 'beuntjes' af, stambonen en stokbonen, ook snijbonen, met van die lange draden, die wij "reifels" noemden. Een grote wasteil stond in het midden van de kring die we gevormd hadden. Wie binnenviel in dit huis, werd meteen "an het ofhalen ezet", werd later lachend verteld, maar zei de vrouw des huizes: "Met al dee hulpe botsten het lekker an". Als jongen vroeg ik me af, waar dat 'anbotsen' toch vandaan kwam. Later leerde ik het verschijnsel kennen van het omkeren of verwisselen van klanken: weps werd wesp, gesp werd geps, angebost werd angebotst en dus werd de onbepaalde wijs anbotsen.

Reeds jaren weet ik nu bijna alles van bos en anbossen. Nou ... bijna? Laat ik me niets verbeelden. Ik kan beter, staande bij deze gezellige rommelmarkt, en tussen de kramen wandelend, dingen met bos nog eens op een rijtje zetten. Daar ligt bijvoorbeeld een bos verroeste sleutels. Het is een hele bundel. Je zou hem kunnen anbossen, door aan de geweldige sleutelring nog een stelletje sleutels te wringen. Wie zou zoiets nou kopen, zo'n bundel oudroest? Naast de sleutelbos ligt een ouderwetse knippe, zo'n leren buidel met een verzilverde knipbeugel eraan. Zou de eigenaar van deze spullen weten, dat er hier taalkundig gezien familie naast elkaar ligt? Een bos of bundel, een gezwollen iets dus, naast een bundel of buidel, ook een ding dat zwellen kan van het geld. Een kleine jongen pakt wat weg van het kraampje en stopt het in zijn zak. De verkoper ziet het. Zijn gezicht zwelt rood op van kwaadheid: "Rot jonk, leg neer dat spul!" schreeuwt hij. De jongen smijt de vetleren medaille op de kraam en gaat er als een haas vandoor. Een bos of een zwelling, boos of gezwollen. Wat zou die Indogermaanse basis geweest zijn met de betekenis 'zwellen', waar alle door mij overdachte woorden vandaan komen? Ik kan wel gissen, maar daar heb ik niets aan. Daar hangt zowaar een bij elkaar gebonden zootje volmaakt uitgedroogde stengels met bonen. Een boon, een peulvrucht met zaden die opgezwollen zijn tijdens de groei van de plant. Het begint me nu al te duizelen. Ik kan beter stoppen met alle zaken in deze ene kraam te bekijken. En dan maak ik een verschrikkelijke blunder. Ik vraag aan de man achter het kraampje of hij weleens zo'n bonk oudroest als die bos sleutels verkocht heeft. "Meneer is zeker neet handig, hè? Meneer klust zeker nooit, hè? Weet meneer dat hier het begin van alle mederne kunst lig? Hef meneer welis een padde ezeen, dee deur een autorad plat ewalst is, en döörnoa uut'edreugd? Plak het resultoat op een mooi velleken papier of stof en spieker der een liesken umme. Kloor kunstwerk! Wach' iej mar is èven".

Ik blijf staan en kijk. Een nette jongeman komt bij de kraam. "Ik ben met een metaalmobiel bezig. Mag ik die sleutelbos even vasthouden?" Hij bekijkt de sleutels een voor een, strijkt over de rode roestkleur. "Gaaf kleurtje", zegt hij, "Wat moet dat kosten?"

"Twalef en een hallef", zegt de verkoper. "Tien", zegt de jongeman. "Door zui'j 't veur hebb'n".

De man achter de kraam kijkt me triomfantelijk aan. "As der nog een paer van dee klant'n komt, botst 't mooi an". "Bost 't mooi an", verbeter ik. "Hol' iej möör op, iej hebt enkeld verstand van schriev'n en nog egensnee' völle!" "Zulke reacties bossen ook an", denk ik als ik verder slenter.