Allebendig

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008
De baanderheer besteeg zijn paard. Dat was een moeizame arbeid in het harnas geklemd, zwaar en log. Hij werd door zijn mannen geholpen. Ze hesen hem als het ware in het zadel. De baander, de banier, of zoals de baanderheer zelf zei, de banjee, werd in de schede aan de rechter voet gezet, de banjer was links, zodat hij met de linkerhand zijn zwaard kon hanteren. Dat alles gebeurde op het veld voor de stallen, waar de andere ridders of ruiters binnen hun paarden klaar maakten voor de strijd tegen die andere banjer die het hier ook voor het zeggen hebben wilde. Toen blies een blazer de klaroen en op het trompetgeluid openden zich de alle-bandig grote baanderdeuren, de bansdeuren, en de bande, bende, troep, zette zich in beweging. Wel allemensen nog aan toe, wat een kleurrijk gezicht. Wat zou van deze 'allebanters', dappere stoute volgers van de baanderheer nog blijven na de strijd?

De brug over de slotgracht werd neergelaten. De bende trok erover, gadegeslagen door tientallen pachters, boeren, lijfeigenen en meisjes en jongens. "Het zal mien wel een allebanterieje worden!" riep een boer zijn naaste buurman in het oor. Daarna was het kijkspel al weer voorbij.

Allebanterieje, alibanterieje, het uithalen van ondeugd, ondeugende spelletjes spelen. Als kinderen deden we dat. Riddertje spelen. We maakten sabels en schilden van stokken en karton; we vouwden Ivanhoe-hoeden van oude kranten en we trokken de bossen in, sloegen in op alles wat bewoog. Baanderheren kenden we nog niet, maar we benderden, banjerden door de natuur. Benderig, onbeheerst waren we in hoge mate. Ik vooral. Ik was natuurlijk Robin Hood, ik was de ondeugende weldoener. En daar zit toch geen kwaad bij? Ik heb nog eens moeten leren dat de ontwikkeling van de enkeling een herhaling is van de ontwikkeling van de soort. Ik denk dat die stelling bewezen is. Wij wisten niets van de Oudheid en de Middeleeuwen, maar wij gedroegen ons als de wezens uit die tijdperken. 'Allebendig' kende ik in mijn dialect, want een 'eisjen' kon allebendig lekker zijn, maar dat 'alle' of 'heel' in die tijden al gebruikt werd, wisten wij niet; en dat 'bendig' een afleiding is van 'bende', bande, bane, banier, moest ik in mijn eigen tijdperk nog leren. Alle bende, de hele troep, dat is geweldig! Dat is bijna onvoorstelbaar. Allebendig, wat onvoorstelbaar is dat! Het is niet te beschrijven.

Bij de boeren gaan dikwijls nog de baanderdeuren, baanders, bansers open, ook om de mens ten strijde te laten trekken, maar nu voor de strijd om het bestaan. Veel boeren hebben hun banier al verloren of afgegeven. Zij zijn geen 'baanderheren' meer. Zij voelen zich vaak verslagen. Gelukkig zijn er 'bents' die het voor hen opnemen. Genootschappen, verenigingen, die alle agrarisch bezigzijnde mensen onder dezelfde 'banier' willen verenigen om zo hun belangen te kunnen behartigen. Ik zie zo'n bent met banier onder aanvoering van een baanderheer ten strijde trekken. Het gebeurt vreedzaam. En merkwaardig, de aanvoerder, de baanderheer is in mijn ogen inderdaad een 'banjer'. Niet voor niets heeft men hem eens toegezongen: Het is moeilijk bescheiden te blijven ... !

Allebendig, wat is het Latijn toch, vaak via het Frans, in onze taal doorgedrongen! De mensen die door het leven banjeren, daarvan weten de meesten niet dat zij een banier, een vierkant veldteken, meedragen. Dat geeft duidelijk aan met welk vaandel zij door het leven gaan. Dat teken te verbergen lukt meestal niet, zeker wanneer men niet weet dat men het voert. Het kost een allebendige moeite jezelf niet bloot te geven. En uiteindelijk moet een ieder van ons kleur bekennen.