Agöddekes

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 december 2008

Om acht uur zitten we al buiten te ontbijten. We genieten van de tuin met zijn bomen en planten en bloeiende bloemen, van de merels en de kauwtjes en de mezen en de mussen en de vlaamse gaaien en de eekhoorns. Onze tuin durf ik nooit een brokje echte natuur te noemen, maar ik vind het wel een natuurlijk plekje. "Agöddekes, wat mooi, veural bie zomerdag", zei mijn moeder vaak, als zij bij ons buiten zat te genieten. In dat "Agöddekes" legde ze haar hele gevoel. Zij moet geweten hebben dat een godje of een godeke een kleine god is, feitelijk een kleine afgod, want zij vloekte niet; ze zou Gods naam niet ijdel gebruiken, al sprak zij vrijmoedig over de Schepper. Ach godjes, ach göddekes. Daar denk ik over na, terwijl ik mijn thee drink en boven in de naaldbomen tuur of ik een eekhoorn kan ontdekken.

Wanneer hoorde ik "Ach göddekes" voor het eerst? Dat was, geloof ik in de beginjaren dertig, toen mijn opa van Moeders zijde overleden was. Ik kwam 's middags uit school. Moeder stond in de kamer te strijken. Ik kwam bij haar staan. Hele verhalen van school wilde ik vertellen, want ik zat in de eerste klas. Ik keek op naar Moeder. Tranen zag ik over haar wangen gaan. "Wat is ter?" vroeg ik. "Opa is dood", zei ze. Toen viel me zomaar uit de mond: "Gelukkig". Vandaag weet ik nog steeds niet waarom ik dat zei. Ik schrok niet eens van mezelf. Moeder schrok wel. Zei zij toen niet: "Agöddekes"? Ja, ze zei: "Agöddekes, naere jonge", op een stil verwijtende toon. Verder niets. Heel stil ben ik buiten gaan spelen.

"Kijk, een eekhoorn", zegt mijn vrouw, "boven in die spar". Een donkerbruine klimmer springt van de hak op de tak, schijnbaar zonder enig doel. "Hij heeft wat in de bek", zegt mijn vrouw. We kijken nog eens goed. We kunnen niet zien wat het is. Het kan een vroege walnoot zijn, een heel jong vogeltje, een gegapt eitje. "Agöddekes", denk ik vol medelijden. En ik denk aan mijn eigen kleinkinderen. De meeste ervan hebben we meteen na de geboorte gezien. Mijn vrouw en ik stonden over hun bedjes gebogen. We mochten ze even in de armen houden. Wat een geluk! Wat zei ik al die keren? "Agöddekes, wat een döddeken!" of "Lieve mensen, wat een dotje!" En bij de geboorte van de beide tweelingen: "Agöddekes, wat een döddekes!" Een geluksrijm.

Geluk, spijt, verdriet, medelijden, kwaadheid, veel gevoelens drukte mijn moeder uit met haar "Agöddekes". Ik heb het haar uit medeleven dikwijls tegen mijn vader horen gebruiken. Dat gebeurde op momenten dat mijn vader zich opwond. Hij gebruikte dan de krachtterm "Verdreedubbeltjes", wat echt als een bastaardvloek gezien moet worden. Een voorbeeld. In de kelder, ik moet nog lachen als ik eraan denk, stond een houten werkbank. Kwajongens als wij waren, hadden we het bovenblad vol spijkers geslagen, en zo eigenlijk de bank vernield. Vader was razend. "Verdreedubbeltjes, wee hef dat edoan?" riep hij. "Wat is ter?" vroeg Moeder. "Kom iej möör is mee!" Vader liet Moeder de schade zien. "Agöddekes, wat jammer, ik heb ter niks van emerkt", zei Moeder verdrietig. Vader keek Moeder aan. Zijn woede was meteen verdwenen. Tegen zoveel medeleven kon zijn drift niet op. Hij was tegen ons enkel maar stil. Nog jaren zaten de spijkers in die werkbank. Agöddekes, wat heb ik lieve kinderen, zulke streken hebben zij nooit uitgehaald. Ik heb er tenminste niets van gemerkt.

"Wij hebben lieve kinderen", zeg ik ineens. "Ga jij maar gauw aan je werk, want het is nu nog niet zo warm op je kamer", zegt Ali. "Ik heb al gemerkt dat je je artikeltje hier al klaar hebt". En zij wijst op haar voorhoofd. "Agöddekes, wat heb jij mij toch altijd door", zeg ik lachend. Vol liefde ga ik naar boven.