Achterste

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 04 december 2008
De lente is begonnen. De dagen lengen snel. Met dat lengen heb ik meteen een stukje van de len-te te pakken, en daar ik toevallig weet dat -te een rest is van het Oudsaksische '-tin', wat familie is van het Latijnse 'dies' (dag), ben ik op mijn voorjaarsfietstochtje al weer aardig in gedachten de lente aan het verklaren, terwijl ik er toch gewoon van genieten moet, maar ik kan het nu eenmaal niet laten te denken: "Lente is het langer worden van de dagen".

Richting Epe of 'Waterplek' fiets ik. Ik heb de wind schuin tegen; die is niet zo sterk. En zeker in dit lekkere zonnetje gaat het best, heel best zelfs. Ik herinner me nog, hoe ik hier een veertig jaar geleden fietste met een heel oude vriend om in Epe tegen de Veluwerand een plekje te zoeken, waar we met een groep kinderen een zomerfeestje konden houden. Daar fiets ik nu weer heen. Mijn oude vriend had een fiets met hulpmotor en hij had medelijden met mij, omdat ik naast hem tegen de sterke wind in moest trappen. "Ik zitte möör met mien luie eers te bromm'n en ik loate oe trapp'n", zei hij. Ik weet nog dat het woord 'eers' vreemd bij me overkwam, want in het dialect van zijn geboorte- en woonplaats werd het niet gebruikt; daar zei men gewoon "kont". Pas veel later hoorde ik, dat hij in Salland, op de Oost-Veluwe en in de Achterhoek zijn werkgebied had. Waarschijnlijk gebruikte hij het Achterhoekse 'eers' als verzachtende uitdrukking voor 'kont'. Natuurlijk had hij ook 'achterste' kunnen zeggen, maar dat zal hij te Nederlands gevonden hebben. Hij kon niet weten dat 'eers' minstens zo Nederlands was als 'achterste'.

In het Middelnederlands vinden we al 'ers', dat ook in de vormen 'eers' en 'aers' voorkwam. Eers is familie van het Latijnse anus, wat eigenlijk een ring is. Dat klopt, want mijn aars is een ringspier, die sluitspier is in mijn achterste. Op dat moment, ik fiets nu al in Nijbroek, 'Nieuwmoeras', herinner ik me hoe op de scholen in deze streek de kinderen in de jaren vijftig en zestig de vinger nog op moesten steken als ze naar "het achteren" wilden. Ik hoor een kleutertje in de kleuterschool nog vragen: "Juf, ik mudde zoo neudig. Ma'k noa 't achter'n ?" Heel gewoon zal het nu ook nog zijn dat juffen de bibs of het achterste van een kleuter even controleren, als het kind een 'grote' gedaan heeft.

Achter komen we, als we de boeken raadplegen, tegen in het Middelnederlands (ook als 'after'), in het Oudnederfrankisch, after en aftir, in het Gotisch, aftra, in het Grieks, apoteros. In die laatste taal betekent het 'verder hier vandaan'. Dat heb ik nog eens op de middelbare school geleerd, herinner ik me plotseling. Aars komt trouwens in het Grieks voor als 'orros', dat als ik het goed heb, stuitje betekent. Achter komt van nog veel verder weg: 'Apataram' betekent 'verder weg'; het is Oudindisch.

Vlak voor Epe zie ik bij een boerenhoeve een vrouw haar groentetuin licht omspitten. De oude boer die mij spitten geleerd heeft, zou zeggen: "Kiek, ze dut het goe-oed; netjes echtersteveur". Hij had zeker de zegswijze weleens gelezen: 'Wee achterveur de skuppe invoort, kan meer beur'n' of 'Wie achteruitgaand de schop in de voor steekt, kan meer dragen'. Het gezegde betekent, dat men met beleid te werk moet gaan; dat vereist weleens een andere aanpak dan men denkt. Natuurlijk kan men het ook 'achtereers' doen; het aardige van dat laatste woord is, dat het letterlijk vertaald in het Nederlands 'achter-achterste' is.

Ik ben in Epe. Ik fiets richting de 'Dellen'. Ik kom in het bos waar ik lang geleden met mijn oude vriend de open plek vond, waar we het zomerfeest hielden. Het terrein is afgesloten met een hek. Er is een camping. "Achterof een heel mooi pleksken", denk ik.