Aankatsen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 04 december 2008
In de zomertijd kom ik veel mensen tegen in het dorp, in de stad, op wandelingen. Het valt me op, dat ze allemaal wel wat te vertellen of te vragen hebben over het dialect. Ik heb daarbij opgemerkt dat mensen die vroeger Nederlands met me spraken, nu in hun dialect mij benaderen. Dat verwondert me niet, want praten over je taal doe je het liefst in die taal. Een enkele keer komt het voor, dat iemand opbouwende kritiek op mijn werk als schrijver wil spuien. Dat gebeurt dan meestal in onze standaardtaal of wat daarvoor door moet gaan. Zo ontmoette ik iemand, ik kende hem niet, die in het korte gesprek dat ik met hem had, zei: "Denk maar niet dat ik me door U in die taalrubriek van U alles laat aankatsen." Het was kennelijk iemand die mijn dialect kende. Leuker had het geklonken, als hij gezegd had: "Iej mot neet denken dat ik mien alles deur oe an loat katsen." Dat laatste klinkt ook wel negatief, maar het komt niet zo grof over. De betekenis blijft overigens hetzelfde: wijsmaken, snoeven op kwaliteit die er niet is, aansmeren. Katsen is familie van het Hoogduitse QUATSCHEN, dat onzin of leugens vertellen betekent. Het heeft dus in oorsprong al een ongunstige of peioratieve gevoelswaarde. In het Nederlands is het overgenomen met diezelfde gevoelswaarde: KWATSEN, KATSEN. Dat het overgenomen is, vermoed ik; quatschen is door Nederlanders gelezen, maar wie ook wat Frans kende, ging qu- als k- uitspreken; -schen werd in de oude spelling van het Nederlands als -sen uitgesproken. Zo kwam men denkelijk tot de uitspraak KATSEN. Langs deze weg kon gemakkelijk ANKATSEN ontstaan in mijn Deventer dialect. Een dialectspreker die Nederlands gaat praten, vertaalt in zijn logische taaldenken ANKATSEN in AANKATSEN. Door deze wetenschap kon ik in het algemeen de vraag beantwoorden, die een in Groningen geboren goede kennis mij stelde. Hij wist zelf het antwoord op zijn vraag, en wilde mij nog wat meer wapens in handen geven bij mijn streven de streektalen te verdedigen. De vraag luidde: "Weet jij wat een katser is?" Ik antwoordde voorzichtig dat het wel een kletsmajoor zou zijn, maar dat bleek niet helemaal juist. Het is een opschepper, dus iemand die of sterk overdrijft, of geheide leugens vertelt. Door deze uitleg gesterkt greep ik de 'Dikke Van Dale' om na te gaan of het woord KATSER daarin voorkwam. Zo ontdekte ik een derde betekenis, ook al met een ongustige gevoelswaarde: een KATSER is in het bargoens of de dieventaal een ADVOCAAT. En nu hoor ik een boef al zeggen: "Ik moet zien dat ik een katser krijg, die me eens even lekker de gevangenis uitkletst." In zo'n zin krijg ik dan meteen de indruk dat het om een advocaat van kwade zaken gaat.

Ik wil mien lèzers in de volgende zinnen niks ankatsen, möör ik wil ze wel wat WIEZER maken. KWELEN of lieflijk zingen is familie van KATSEN. In het Oudsaksisch is QUETHAN aanspreken. Dat heeft zich in twee richtigen ontwikkeld, of het was al vroeger tot *QUATHAN geworden. Het sterretje betekent dat ik het woord gereconstrueerd heb. En nu vind ik het aardige, dat een katser een soort liedje zingt; het druipt weliswaar van de zelfgenoegzaamheid, maar ieder vogeltje zingt, zoals het gebekt is. Ik ben blij dat ik in vrijheid in mijn eigen taal mag kwelen, de lezers mijn leesvoer mag "ANKATSEN" en als "KATSER" van de Nedersaksische dialecten mag optreden in de openbare uitgaven van mijn streekdagblad. Wie zijn taal wil behouden, moet er een warme pleiter voor zijn, vooral door hem zelf te spreken. Als ankatser van het dialect zou ik willen zeggen: "Sprèèk oew moderstaal in oew moders streek, leert oke de taal te verstoan van degenen wöörmee 'j lèèft en werkt. Loat oe dat noe is ankatsen." En zeg nu niet: "Wat een kwatsch!"