Zweien

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zondag 21 juni 2009
Even sta ik stil bij een paar spelende kinderen. "We gaan tikkertje doen!" roept er een. "Jaaa ...!" brult de rest. Ze tellen af. Iets van "Onder de brug van Ankie-Frankie lag een schip met peper en zout ...". Het versje eindigt met "Iej - wiej - waai - weg". Bij die laatste woorden denk ik meteen aan Dick uit Zutphen. Zijn brief moet ik nog steeds beantwoorden. Ik gun me geen tijd het 'kriegertjen spöllen' verder te volgen, want hoe lang is het geleden dat ik Dick's brief ontving? Enkele maanden. Ik kan me nu niet veroorloven langer van mijn wandeling te genieten.Thuisgekomen pak ik dadelijk mijn archiefmap, zoek het gedeelte uit de brief op, dat iets met 'wiej' te maken heeft. Het blijkt een ander woord te zijn, niet erg verschillend in klank, en met een verwante betekenis. Ik lees namelijk: "Noe nog wat anders. Mien mooder gebruukt'n nog al 's een keer een bepoalde zegswieze dee mien Twelse grootolders (geb. in 1865 en 1866) ook gebruukt'n, as ze wat verteld'n oaver een mense dee van 't ene uuterste in 't andere dech (denkt) of dut (doet). In Duutsland zek' ze wel "Himmelhoch jauchzend - zum Tode betrübt". Wiej zoll'n zegg'n: "Met den is 't alles of niks". Dat Twelse gezegde van mien veurolders was dan: "Met den is 't te liej of te zwiej". 't Kan ook wèèz'n "de liej of de zwiej", möör 't klonk as "te"."Dick schrijft dan dat door de sis-klank -s 'de' misschien 'te' geworden is; en dat dit ook gebeurd is door de fuf-klank -f. Maar het blijft voor hem een raadsel of het 'de liej of de zwiej' is of 'te liej of te zwiej'. Het antwoord op deze alles- of niksvraag is slechts te geven vanuit de klankleer en de betekeniswetenschap. De lijzijde of 'liejka(a)nte' van een zeilschip is die zijde die in de windloze zone naast een ander schip ligt. De wind is het vaartuig uit de zeilen genomen. De boot ligt stil. Er zit geen beweging meer in. De kracht, de fut, de zwaai, 'zweej' of 'zwiej' van het vaantje boven in de mast is eruit. Wanneer een mens 'te lij' ligt, 'aan de lijzijde', 'an de liejkante' in modern Plat, dan is die mens moe, slap, willoos, iemand die beschutting gezocht heeft. Het leven is eruit. Een mens die vrolijk, opgewekt is, is 'wierig' en 'zwierig'. Met zulk een mens is het alles. Hij of zij wordt in vaart gebracht door de volle 'waai', de wind. Zo'n persoon ligt 'te loef', 'aan de (z)waaikant', 'an de (z)weikante', 'te zwei' of 'te zweej', 'te zwiej'.Dit is het wel zo'n beetje, maar wat doe ik dan met zweien in de betekenis van 'meien' (maaien). Zwaaien is wuiven. Wie met een zeis zwaait en het graan maait, wuift toch niet echt. Neen, maar wie zaait en maait, oogst zijn grassen en granen. Wie het erbij laat zitten krijgt geen enkel 'zwad' gras van het veld. En de Achterhoekse 'zwa', de zeis met de lange steel, moet je zelf gebruiken als je wilt oogsten. Leen hem vooral dan niet uit! Want de zon schijnt maar kort. Je zou het hooi weleens te laat van het land kunnen hebben. "Na zonneschijn komt immers regen", zegt degeen, die liever 'te lij' ligt of 'te bedde'.Of 'te  zwiej' onder invloed van 'te liej' is ontstaan, is onbekend. Het lijkt logisch. De uitdrukking "Met den is het te liej of te zwei" ligt niet in de Saksische mond. Zweien en zwieren hebben elkaar in dit verband aardig gevonden. Ik denk daarbij aan de zeelieden, die in de middeleeuwen aan land gingen 'swayen', de zee nog in de benen. Ik wil ook weten of 'lij' in het Oudsaksisch voorkomt. 'Hleo' vind ik, in het Nederlands 'beschutting'.Van harte hoop ik dat Dick het met dit antwoord doen kan. En mocht de 'zwa' soms ergens in mijn taalgebied 'zwie' genoemd worden, dan verneem ik dat graag; mijn antwoord aan Dick wordt immers een krantenstukje: 'zweien' naar de lezer.