Zweerd

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zondag 21 juni 2009

Een dolk heb ik nooit gehad, wel een dolkmes. In wezen is dat hetzelfde, alleen is een mes kleiner dan een dolk. Ik kreeg het voor mijn twaalfde verjaardag, in 1939. Het zat in een stevige leren schede; die kon ik aan mijn echte padvindersriem schuiven. Die was versierd met een Franse lelie. Onmiddellijk haalde ik de dolk uit de schede om te kijken of er in de kling, het blanke staal, een bloedgleuf zat en hoe lang die was. Ze hadden me namelijk verteld dat je geen dolkmes mocht bezitten met een te lange bloedgleuf. Ik geloofde dat. Het gleufje in dit snijwapen was nog geen twee centimeter; bovendien bleek het echt een mes. Het had maar één scherpe kant; het was gewoon een zakmes dat je niet dicht kon klappen, maar in een schede moest opbergen. Toch was ik er heel blij mee. De hele dag was ik aan de IJssel aan het stokken snijden, waarvan ik de basten versierde met allerlei voorstellingen. Ik weet niet hoe lang ik de ‘dolk’ gehad heb, maar ik heb hem nooit iemand in het hart gestoken. Dat een dolk in het Middelnederlands een ‘dolmesse’ heet, wist ik toen nog niet.

 

In 1947 moest ik in militaire dienst. Ik maakte kennis met de bajonet. Ik had een korte ‘vechtdolk’, vechten was in dit verband steken. De bajonet kon je met een simpele beweging op de loop van je schietgeweer, kortweg geweer genoemd, planten. Je leerde dat het geweer en de bajonet bedoeld waren om te doden, de ‘vijand’ dan natuurlijk. En vijanden hadden we bij de eerste oefening! Zakken, stijf gevuld met stro, opgehangen aan palen. We stormden erop af en staken met geweld in op de ‘vijand’. Gelukkig dat die daar tussen aanhalingstekens stond. We hadden niet het idee dat het echt was. Het ging niet om mijn leven of zijn leven.

 

Een degen heb ik ook nog in de handen gehad. Dat lange slanke steekwapen met een beugel aan het gevest om je hand te beschermen lag me wel. In 1939 mocht ik van iemand schermen, degenfechten, zeggen de Duitser. De man die mij hielp, was, meen ik, zelf schermmeester. De degen die hij mij gaf, had op de spits, de punt, een rond beschermdopje; dat was om te voorkomen dat je een ander doorsteken zou. Verder moest ik een schermkap over mijn hoofd doen. Daar zat een metalen horretje voor, zodat je door het ijzeren gaas je ‘tegenstander’ kon zien. Ik werd in een bepaalde houding gezet tegenover de ‘leraar’ en ik moest proberen hem boven de gordel te raken, te toucheren. Dat lukte aardig.

 

Sabels kende ik ook. Een van mijn voorouders van moeders kant is veldwachter in Bathmen geweest. Zijn sabel is nog steeds in de familie. Het is een slagwapen dat veel in gebruik is geweest bij de politie. Een sabel is platter dan een degen en wat krommer maar het is niet stekend bedoeld, maar om te hakken en te snijden. De sabel heeft wel een beugel om de slaghand te beschermen. Sabel komt van het Hongaarse ‘szabni’, op maat snijden, ik zou zeggen ‘in mootjes hakken’.

 

Mijn oudste zoon kreeg eens een zwaard en een schild, om ‘Ivanhoe’ te spelen. ‘Zweerd’ is er het Nedersaksische woord voor. Het moet wel verwant zijn aan zwaaien of zweien, zwiepen, zwieren, zwengelen. Als je mijn zoon ook met zijn zwaard zag zwaaien! Ook met een zeis of ‘zwad’ zwaai je zo. Zweerd vind ik de mooiste naam voor een slagwapen. Zwier en zwaai ermee, maar liefst zonder er iets mee te raken, denk ik, terwijl ik in dit oorlogsmuseum alle vijf zwaai- en steek- en snijwapens sta te ‘bewonderen’: dolk, bajonnet, degen, sabel en … zweerd. Genoeg gezien. Ik zwaai af.