Zoeze

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zondag 21 juni 2009

In Den Bosch stappen we uit. We wandelen vanaf het station naar de binnenstad. Natuurlijk gaan we eerst koffie-verkeerd drinken. En daar hoort een Bosche Bol bij. Ik zie dat woord geschreven voor me, met hoofdletters: Bosche Bol bij Uw koffie! Tweede kopje gratis! We blijken in deze lunchroom, eetkamer, in een Oosterse Week verzeild te zijn geraakt. De bedieners en diensters zijn gekleed in klederdrachten uit de Gordel van Smaragd, Indonesië.

Het geeft een aparte sfeer, twee Saksen, veel Brabanders, die soezen uit Den Bosch nuttigen en bediend worden door Javaanse en Sumatraanse en Balinese personages. “Soedah, laat maar, dat hoeft toch niet”, hoor ik achter me zeggen. Ik kijk om, en wat ik hoorde in taal en klank is juist. Mevrouw heeft een uitgesproken Oosters uiterlijk. Ze knikt vriendelijk in mijn richting. De dienster, die bezig was het schone tafeltje van de mevrouw schoon te vegen, is meteen gestopt met haar bezigheden, maar ze gaat daar toch verder mee. “Toe dan maar!” zegt Mevrouw.

 

Soedah. ‘Dat is Maleis, Indonesisch’, denk ik. In de paar weken dat ik in 1948 Maleis gehad heb, leerde ik het woord spellen als ‘sudah’. Een van de betekenissen is inderdaad ‘laat maar’. Een andere betekenis is ‘klaar’. Het is heel toevallig dat de klank van de eerste lettergreep hetzelfde is als het begin van ‘soes’. Het woord heeft daar niets mee te maken. En toch denk ik er nu aan, want de bol uit Den Bosch, wordt net voor mijn neus gezet. ‘Chou’, denk ik, ‘daar moet soes vandaan komen’. Soedah is Indonesisch en chou is Frans. Wat zijn we in taal toch internationaal! We eten onze bol en we drinken onze koffie-verkeerd. Het is warm in het eethuisje en ik begin een beetje weg te soezen. “Val maar niet in slaap”, zegt Ali, “we moeten nog een heel eind naar het Brabants Museum”. Meteen ben ik klaar wakker. “Soezen is half slapen en ook het meervoud van soes”, zeg ik. “Waar heb je het nu weer over?” vraagt Ali. “Soedah!” Zij begrijpt het niet, haalt de schouders op.

 

Mijn gedachten gaan door. Soezen is een nevenvorm van suizen, en dan in de betekenis van suffen.  Suizen en suizebollen zijn sterk verwant. Soezen heeft een heel oude ‘oe’. In het Nedersaksisch wordt het nog uitgesproken als ‘soeeezen’ of ‘zoeeezen’. De laatste uitspraak komt het meest voor. Een zoeeeze is een slome vrouw of man. In sommige streken spreekt men pas van een zoeze, als de betrokken persoon ook nog erg dik is. Met een voorbeeld word ik op mijn wenken bediend. Een wat te dikke dienster komt sloom op ons af. Ik roep haar en vraag of we onze tweede kop koffie kunnen krijgen. “O ja, dat ben ik vergeeeten”, zegt ze slepend en sloom. “Wat een zoeze”, zeg ik tegen Ali. “Ssst …”, sist die.

Is er wel een feitelijk verschil tussen een zoeze en een soezebolle? Ik denk dat een zoeze meer een slaperige slome is, die het allemaal niet zoveel kan schelen. Een soezebolle heb ik altijd degene genoemd die ik een echte sufferd vond, een onhandige domoor dus, die lang niet alles door heeft.

 

Na het rusten met koffie en een bol trekken we onze jassen aan, pakken we de tas en de rugzak en gaan in ene zoeze deur via de Markt naar het Brabants Museum. Ja, in ene zoeze, want we doen het langzaam maar volhardend in dezelfde gang.

Het bezoek aan dit museum met veel zuidelijke kunst brengt ons heel wat. We bewonderen ook de kop van Van Gogh met zijn afgesneden oor. Ik kan niet nalaten te denken: “Vincent, Vincent, wat was iej toch een soezebolle! Möör een zoeeze was iej zeker nieet!” En ik schaam me, want zulke dingen mag een mens niet denken. Maar wie houdt kwetsbare gedachten tegen? ‘Íej bint een zoeze, Gerrit’, denk ik onder de loop naar het station.