Wippe

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zondag 21 juni 2009

Toen ik in de nacht van 31 maart op 1 april 1945 na onze vlucht voor de Duitsers uit Goor in de boerderij buiten die plaats onderdak kreeg en op zolder boven de koeien een slaapplaats kiezen mocht, wist ik niet beter of de bos stro die ik nam, waarvan ik de halmen er omheen lostrok, was een bos stro of een strobos. Ik sliep er lekker op. Ik was zeventien en misschien had ik het woord ‘wis’ wel eens gehoord, maar ik zou er geen moment aan gedacht hebben, dat ik een strowis uit elkaar trok. En dat interesseerde me ook niet. Ik was na drieëndertig kilometer lopen op de klompen van Schalkhaar naar Goor doodmoe en ik wilde slapen. In die tijd hadden we andere problemen aan ons hoofd dan die van de taal. Stro betekende ‘lekker kunnen uitrusten’. En ik rustte uit. Met mijn broers en nog enkele vrienden konden we op 1 april 1945, eerste paasdag, de voettocht terug weer aan.

 

Toen ik op 23 november 1947 mijn dienstplicht moest gaan vervullen, werd ik in Amersfoort meteen doorgestuurd naar Apeldoorn. Ik werd gelegerd in de Willem III – kazerne. Zelf moest ik daar mijn strozak vullen. Ik kreeg een flinke strowis. Er viel heel wat te stouwen voor ik al het stro in de zak had. Hoewel ik toen niet wist dat ‘wisch’, ‘wisc’ oorspronkelijk twijg betekent, en in een of andere vorm in iedere Germaanse taal voorkomt, dat het Latijnse woord ‘virga’ is, sliep ik die nacht voortreffelijk op mijn keiharde bed.

 

Daar ik bij het ‘paardenvolk’ diende, de Huzaren van Boreel, waar we behalve veel tanks nog een paar paarden hadden, voor de officieren, moest ik ’s nachts wel wacht lopen bij de paardenstallen. Er waren enkele burgers in dienst. Die mochten ‘s nachts boven de paarden slapen in het stro. Dat was om op de paarden te passen. Paarden betekenden immers veel voor de mens. Nu nog trouwens. Hoe zo’n slaapplaats voor ‘knechten’ heet, heb ik nooit geweten. Die mannen waarschijnlijk ook niet. En wat maakt dat ook uit. Zij konden lekker warm slapen in het stro.

 

Het is zaterdag 29 april 2000, braderie in Diepenveen. De plattelandsvrouwen hebben weer heerlijke kniepertjes gebakken, die we genieten kunnen met een lekker bekertje koffie. Een van de dames achter de geschraagde planken herkent me en ze zegt: “Ik mot oe toch is wat vroagen. Weet iej wat een wippe is?” Ik moet haar het antwoord schuldig blijven. Ik ken wip en wippen in allerlei betekenissen, maar ‘wippe’ ken ik niet.

“Een wippe is de sloapplaatse op de boerderieje boaven de peerdestal”, krijg ik te horen. “Komt mar is biej ons, dan za’k het oe loaten zeen!”

Omdat ik me er wel iets bij kan voorstellen, hoeft dat laatste feitelijk niet, maar het is fijn aangeboden.

 

Thuisgekomen maak ik meteen werk van de zaak. En ik vind: wippe – slaapplaats voor de knecht boven de paardenstal. Maar ook wippe, wiep, wipe, wiepe. Het Duitse ‘Wiepe’ is zowel een strobos of strowis als een rozenbottel. Het Nederlandse ‘wiep’ kan een bundel rijshout zijn en een bosje stro. Wiep blijkt verwant te zijn aan het Gotische ‘weipan’ dat ‘bekransen’ betekent. Kortom, stro, twijgen en halmen zijn de samenstellende delen van een ‘wippe’, een slaapplaats, waar het goed rusten is, ook boven de paardenstal. Wippe moet met het Latijnse ‘vibrare’ te maken hebben. De stal zal wel trillen als de knecht ligt te snurken.

Wat een prachtig woord! Ik heb er verder niets aan. Ik blijf even gerust slapen, maar … wat heb ik weer veel geleerd!