Wikkewief

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zondag 21 juni 2009

16 maart 2000. Donderdagavond. Ali is naar de avond van de plattelandsvrouwen. Ik wil ‘Afgang’, het zesde deel van ‘Het Bureau’, geschreven door J.J. Voskuil, uitlezen. Ik heb nog maar zestig bladzijden te lezen, dus dat moet lukken. Onder het lezen dwalen mijn gedachten ook iedere keer naar mijn eigen afscheid van mijn ‘baan’. Ik was als Maarten Koning, ik deed de dingen in mijn werk met plezier en intens, maar nooit voor mijn plezier. Ik zei weleens tegen mijn mensen, aanstaande kleuterleidsters: “Als de directeur binnenkomt en zegt dat Het Rijk niet langer betaalt, zeg ik tegen jullie: “Tot ziens, tot ik weer word betaald!” En dan stap ik de deur uit, want ik doe dit werk enkel om mijn gezin te onderhouden”. Ik zei niet dat ik me een slaaf voelde. Zover ging het nog niet!

‘Afgang’. Ik moet plotseling aan Jan denken; hij was een jonge collega aan de Rijksleerschool behorende bij de Kweekschool voor Onderwijzers. Jaarlijks deed hij mee met de sinterklaasuitvoering door de toneelgroep van Volksonderwijs, meen ik, het kan ook een ‘ruimere’ groep geweest zijn. Hij moest meestal voor slaaf spelen. Ik vroeg hem eens: “Jan, heb je een moeilijke rol?” En Jan antwoordde: “Ja, slaaf komt op, slaaf loopt over het toneel, slaaf gaat af”. Daar moet ik nu aan denken, nu ik de laatste regels van ‘Afgang’ lees. En ik zie Maarten in het eerste deel van deze veeldelige roman opkomen en hem zes bedrijven later ‘afgaan’ door de hoofddeur: Opkomst en Afgang. En ik zie het opkomen en afgaan van ‘mieneigen’. Naast die van Maarten. Er is overeenkomst. En tranen wellen bij mij en ik schrei even stil … . Dan grijp ik spontaan mijn kleine notitieblokje en ik schrijf:

 

Opkomst

 

Na

Mijn afgang

Heb ik

In stilte

Geschreid.

Een opkomst

Werd het.

Na ‘Afgang’

Schreide ik weer …

Met hoop voor Maarten … .

 

Dan geef ik me over aan mijn gedachten. Als een waarzegster, een wikkewief, mij voorspeld had dat ik nog eens met plezier en voor mijn plezier zou werken, zou ik het niet geloofd hebben! En toch is het zo. Na mijn afgang van het 'toneel’ begon voor mij een nieuwe ‘opkomst’, waarbij ik het zinloze zinvol mocht en mag maken. Taal en cultuur spelen net als in mijn onderwijs een grote rol, maar er is een verschil! Mijn werk wordt door velen wekelijks tegemoet gezien. Er zijn mensen die ernaar uitkijken. En die bij het lezen van bijvoorbeeld een titel als ‘Wikkewief’ denken: ‘Wat is dat nu weer?’ En ik mag dat uiteenzetten: Wikken is een heel krachtige vorm van wegen. Het wikkewief loopt als het ware met een wichelroede en weegt daarmee af wat de toekomst brengen moge, of welke bodemschatten er in de grond aanwezig zijn. Wikken is een heel oud woord in de Saksische volkscultuur. ‘Wegan’ is het in het Oudsaksisch. Niemand heeft iets aan die wijsheid, geen mens zit er op te wachten, en toch kijken hele volksstammen ernaar uit. Dat laatste is natuurlijk schromelijk overdreven. Wat mij be-‘weegt’ om dit leuk te vinden? Ach, ik hoef het niet te doen. Ik ben geen slaaf van de arbeid. En ik ben blij dat geen wikkewief echt de toekomst voorspellen kan en kon.