Wezeboom

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 20 juni 2009
Hier wordt weer rogge verbouwd. Maïs is verdrongen. Ik kan niet zeggen dat het me stoort; het doet me plezier. Er zou in onze streek ook weer meer gehooid moeten worden in plaats van ingekuild. De landbouwplastic- en autobandenplaatjes rondom onze boerenplaatsen mag ik niet zien. Daarbij heb ik steevast dat andere prentje voor ogen, dat van die schitterende schoolplaat waarop hoog op de boerenwagen een jongetje als ik met een voer hooi meereed. Hij stak zijn hand tegen mij op en riep: “Hooi, hay, Heu!” in drie talen. Ja, toen werd in Nederland, Engeland, Duitsland nog gehooid en was boerengeluk heel gewoon. Staande bij deze roggeakker besef ik natuurlijk dat die schoolplaat nog slechts in mijn verbeelding bestaat, want dat die voer hooi net zo goed een lading rogge had kunnen zijn, maar toch … , het zijn gelukkige beelden uit mijn kinderjaren en … ik verlang ze in deze verzakelijkte en daardoor letterlijk verziekte tijd terug. Ik denk aan oude namen als Wezenveld, bij Het Schol, Wezenkolk, Wezenlanden. Het zijn de namen van oude hooilanden. En in de eerste plaats denk ik aan die heel oude plaatsnaam Wesepe, wat weilanden waren temidden van de wateren of weteringen. Ik stel mij rondom dat dorp het landschap voor en ik stel voorzichtig vast dat het daar nog goed toeven is in weide en veld. Dat platteland! Houden zo! Als jongetje heb ik wel achter een hooiwagen gelopen. Over de smalle Molenweg in Diepenveen schommelde de hoog opgeladen vracht onder het lover van de bomen door. Af en toe bleef er een pluk hooi in de takken hangen en sneeuwde langzaam op de weg. Ik pakte zo’n beetje ‘weze’ bij elkaar en rook eraan. Wat een heerlijke geur! Ik dacht er niet aan dat dit allemaal voorbij zou gaan en dat was misschien wel goed ook. Ik was een kind en ik leefde bij het moment. Later in mijn leven keek ik naar voren de toekomst in. Nu leef ik weer als dat kind van toen, bij het ogenblik. Toch probeer ik al mijn geurige hooi dat ik geoogst heb, op mijn hooiwagen bij elkaar te houden. Ik doe dat net als de boeren van toen met de ponder of wezeboom, dat laatste is Nedersaksisch. Die span ik in de lengterichting van de wagen over iedere ‘voer belevenissen’ van de dag. Zo probeer ik ze bij elkaar te houden in mijn stoltenberg of ‘hooiberg’, ofwel mijn geheugen. Zoals de wezeboom het hooi ‘perst’ op de wagen, zo ‘concentreert’ mijn ponder het in mijn brein. Zo probeer ik de ‘geur’ van de dagen te behouden. Dagelijks mag ik in mijn wezenlanden vertoeven, tot nu toe, dagelijks mag ik een lading hooi onder de wezeboom meevoeren. Ik merk wel dat op lange termijn die dagelijkse lading minder wordt, want ik kan langzamerhand niet zoveel hooi meer op de vork nemen! Weze werd in het Middelnederlands gespeld als wese. Weesboom is Oostmiddelnederlands. Het aardige is dat een weesje een prieeltje is en dat ik feitelijk achter mijn garage nog een weesje heb. Eruit stap je zo in mijn 'weiland'. In het Duits spreekt men van Wiesbaum, wat natuurlijk direct met Wiese of weide te maken heeft. In onze dialecten komen we naast wezeboom wiesboom, wezelboom, wierzeboom en wisboom tegen. Een weesjen is naast een prieeltje ook een verhoogde opbergplaats in een kelder. Het wordt op de Veluwe gebruikt. In mijn omgeving, Salland, Achterhoek, hoor ik wezeboom, weesjen nooit meer. Dat vind ik wel jammer. Wie het dialect wil helpen levend te houden, zou het weer in zijn of haar vocabulaire op kunnen nemen, om maar eens een prachtig woord voor woordenschat te gebruiken. In ieder geval neem ik de termen met wees op de hooivork en ik steek ze hoog op de wagen en ik leg er de wezeboom over. En nu maar hopen dat een en ander niet door de laaghangende takken van de bomen langs de Molenweg wordt ‘afgestreken’. En nu ga ik naar mijn weesje.