Wèke

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 20 juni 2009
Donkere wolken. Wind. Zon. Regenboog. Ik geniet ervan, zittend onder de luifel. De zon verdwijnt en daarmee de veelkleurige boog van rood … oranje … geel … groen … blauw … violet … . Het is heel lang geleden dat ik op school met natuurkunde de lichtbreking heb leren verklaren. Het witte licht wist toen zelf ook al hoe het zich moest breken in kleuren. Het had daar geen onderwijs voor nodig. Wit, leerde ik, was de som van alle kleuren, zwart was het ontbreken van alle kleur. Wit wijkt voor zwart, zwart wijkt voor wit. De witte dag wijkt voor de zwarte nacht en omgekeerd. Zij wisselen elkaar regelmatig af. “En dat is goed ook”. Ik beweer dat niet. Ik weet niet of het goed is. Als wit leven betekent, beweging met al zijn kleur, zwart rust en stilte, dan heeft de spreuk gelijk. Maar de afwisseling doet ook het eeuwig zwarte of het eeuwig witte komen. En dat geeft mij onrust. En dat is ook zwart! Of niet? Wijken is familie van het Latijnse vicis. Dat betekent afwisseling. Het Oudsaksische wikan is hetzelfde als het Nederlandse wijken, vandaar dat we in het Nedersaksisch ‘wieken’ zeggen. ‘Hee wik uut nöör Spanje, de grond wördt hem hier te heite onder de voten’, hoorde ik laatst over iemand zeggen. Ja, in zo’n geval kun je wel afwisseling gebruiken, dunkt mij. En dat doet me dan weer denken aan die oefening met de ‘blauwe’ huzaren. Het was een veldoefening in hartje winter. Sneeuw en ijs regeerden. De vingers en tenen vroren ons bijna af. Wij lagen op de buik in de sneeuw en wij gingen in tijgersluipgang vooruit. Ineens stond de korporaal op, hij tikte me op de helm. “Wieken of bezwieken”, zei hij. En hij zwaaide met zijn arm. Even later zaten we voor de ‘afwisseling’ in de kantine achter een kop hete koffie, de handen erom gelegd. “Wiej zult het de volgende wèke wel is weer prebeern”, zei de korporaal. “Ik stelle veste dat het noe völs te kold is, de viejand mot nog möör èven vort blieven”. En de  week daarop, na de wisseling van januari in februari, ging de oefening door. “Hee is uut-ewèken”, zei de man. “Wee?” vroeg ik. “Den keerl wöör ik het veurige wèke met oe oaver hadde”. Ik lach, want ik ben die man net nog tegengekomen. Ik verklaar waarom ik lach. Zo komen de leugens de wereld in. Maar de spreker geeft mij wel een mooi taalhandvat. Ik zie nog duidelijker de verwantschap tussen ‘wijken’ en ‘weken’. De wisseling van de seizoenen, de wisseling van de tweeënvijftig korte jaarperioden, het is de week en het zijn de weken. Niemand heeft mij ooit kunnen verklaren, waarom een week geen wijk heet, maar zeker is dat in sommige Nedersaksische dialecten die verklaring ook niet nodig is, want daar spreekt men van ‘wieeke’ met een naar ‘eeu’ buigende ‘ie’. Ik kan de wisseling, het ‘weken’, het ‘wieken’ , het ‘wika’ niet tegenhouden. Het laatste woord spreek ik uit als ‘wikka’. Het is Oudsaksisch en betekent ‘week’. Het lijkt in zijn uitspraak op ‘wikken’, het is er geen familie van, zegt men. Wikken en wegen. Wikken is een versterkende vorm van wegen. Wegen werd waarschijnlijk wichelen, wikkelen en wikken. Toch zie ik verband met wijken. Ik zie de schalen van de weegschaal, de balans, schommelen. Wijken naar boven, wijken naar beneden. Voortdurend afwisseling, schommeling. In dat laatste woord komt alles in de week bij elkaar: schommeling, letterlijk en figuurlijk. Ik hoop dat ik nog vele weken door het leven mag schommelen op die draaiende bol die aarde heet. Ik zie mij in gedachten zitten op een hobbelend paardje in een draaimolen, met muziek. Een metafoor voor mijn leven? Daar moet ik eens goed over nadenken. Maar nu niet, want ik moet wat gaan doen. Denken over dialect doet dromen. Dat doe ik dan de volgende wèke maar eens weer. Ik sta op. Ik moet opruimen. De vakantie is voorbij.