Weggescheet

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 20 juni 2009
Geveld was ik door longontsteking. Die ziekte had me gegrepen. Een of andere duivel had me ermee getroffen door op me te schieten met zijn schieteboog, of door zijn speer. Misschien was het ook wel een dier, een insect bijvoorbeeld geweest, dat met zijn gif me had ingespoten. Zo ongeveer moet de primitieve mens zich het krijgen van een ziekte voorgesteld hebben. Ziektenamen zijn soms regelrecht afgeleid van werkingen ontleend aan mens, duivel of dier. Neem enkel maar de naam 'griep', die enkel zeggen wil dat iets of iemand je gegrepen heeft, die jou op zijn tijd weer laat gaan, of niet. Ik sta over deze dingen na te denken, staande bij mijn boekenkast, met Van Dale in mijn hand. Ik ben namelijk aan de 'bèterende hand', de beterhand, de betere hand; ik herstel dus heel langzaam aan de hand van iemand die het goed met me voor heeft. Daar ik een weggescheetje op mijn oog, het rechter, heb gehad, heb ik besloten om wat meer te weten te komen over het schieten van duivels of het schijten van dieren op de mens, om de personificatie maar even voort te zetten. Weggescheet vind ik echter niet in het woordenboek. Dan maar eens kijken bij 'strontje'. En jawel: een strontje is een zweertje aan het ooglid, ontstaan door ontsteking van een der kliertjes aan de oogharen; het wordt ook wel 'gerstekorrel' genoemd. Zo zie ik maar weer dat ook planten namen aan ziekten geven kunnen. Op dat moment stopt er een rode auto voor ons huis. Ik zie meteen dat het de 'weggescheet' van mijn vriend uit Terwolde is. Ik noem zijn auto een 'scheet', omdat ik het zo'n lieve wagen vind. Zo spreek ik toch immers ook weleens over heel kleine lieve kinderen: "Wat een scheet van een baby!"Als ik de deur open, kijk ik in het lachende gezicht van mijn vriend. Hij geeft mij een boek in de hand. "Hier, je kunt er vast wat mee doen". Ik lees hardop: 'Ziektenamen in de Nederlandse dialecten', A.A.Weijnen en A.P.G.M.A.Ficq-Weijnen. Het blijkt van de  Sdu Uitgeverij Koninginnegracht 's-Gravenhage te zijn. Wat een toeval. Ik nodig Ron binnen, zeg dat ik net gegevens bij elkaar zoek over het Nedersaksische 'weggescheet' en als we aan de koffie zitten, zoek ik in het 'Woordregister' weggescheet meteen op. Ik vind het onder de volgende namen: weegje, een woord dat in 1896 al in het 'Woordenboekje van het Deventersch Dialect' van W.Draaijer voorkomt; Draaijer staat er netjes bij vermeld. Weegscheet, weggescheet, wegscheet, wegescheet, weggeschiet, wegeschijt, wegeschijter, wègeschieter. Paddescheet en paddeschieter en ga zo maar door. Ik controleer niet of heggescheet en muggescheet erin staan, want ik wil ook nog wat met Ron praten."Wat doe je me een plezier met dit boek", zeg ik. "Ach ja", zegt hij, "je wilt misschien eens een taalkundig verhaaltje aan de naam van een ziekte of een ongemak wijden. Dan heb je een naslagwerkje, dat van nu is". "Toevallig is een weggescheet zo'n ongemakje", zeg ik. "Mooi vind ik - en ik blader weer in het boek - dat de bijna honderjarige Draaijer erin aangehaald wordt; dat is voor mij het bewijs dat onze dialecten nog een grote culturele waarde hebben. Af en toe mag er dan eens een struntjen of strontje in de ogen van sommige Nederlanders verschijnen, dat hun het uitzicht op een goede toekomst van het dialect belemmert, maar geen demon of gevaarlijk beestje kan de ontwikkeling van onze taal tegenhouden. Wij, dialectgebruikers kunnen ertoe bijdragen dat het dialectgebruik niet in 'zinkens' terecht komt, integendeel aan de 'bèterende hand' blijft. Tussen twee höökskes, wis' iej da'k longontstèking ehad hebbe. Ze hadd'n mien goed te pakk'n!"