Völle

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 19 juni 2009
“In strenge winters kan men dwars door de gemeente Diepenveen schaatsen, langs Schalkhaar, van Deventer naar Raalte. Maar dan moet het wel veel nachten ‘vrezen dat het knapt’ (vree®zen met de heel lange –eee- van ‘weer’). Op het kanaal is het dan VOLLE bane, want der bint VÖLLE mensen op de bee®n. Soms is de baan zo VOL, dat het ’ies’ die last niet meer kan VELEN, want er zijn er te VÖLLE. Het ijs is te VOL.”Bovenstaande zin had ikzelf bedacht om een groepje pubers in een lezing te laten delen in mijn wetenschap dat het Nedersaksische VÖLLE toonde wat de familierelatie is tussen VOL(LE) en VE(E)L(LE). De zin werkte helemaal niet, want het waren kinderen op een leeftijd, waarop schaatsen belangrijker is dan taal. Bovendien konden ze zich er niets bij voorstellen. Verder was het loeiend heet in het zaaltje. Voor taalkundig ijs was er totaal geen belangstelling.“Loa’ we mar goan vissen”, zei een jongen vooraan op de eerste rij keihard, “’t is lekker buten.”Toen was de interesse helemaal weg. En ik was nog wel gewaarschuwd.“Denk erom”, had de voorzitter gezegd, “ze vragen om een lezing in hun dialect, maar ze bedoelen, dat U uit eigen werk voordraagt of voorleest.”Wat nu? Ik had wel deze lezing bij me, maar niet “Een Dèventer Jonge in Oorlogstied” en “Thuus” en “Dissen en Gunnen” (Deze en Gene). Ik moest snel een besluit nemen en fantaseerde, kijkend in mijn papieren, er maar wat op los, maar verloor mijn onderwerp niet uit het oog: "Zit ik op een mooie dag in maart een aan het kanaal naar het vissen te kijken, vraag ik aan een sportvisser: “Vang iej a’ völle?”De man kijkt me spottend aan en zegt, alsof hij me niet begrijpt: “Wat is een völle? Daar heb ik nog nooit van gehoord”. Dan leg ik hem uit, alsof hij het werkelijk niet weet, wat ‘völle’ is. Dan antwoordt hij: “Jullie hier ook met jullie gekke gebrabbel!” Op dat moment heb ik de zaal in mijn greep. Er is iemand die aan onze ‘Modertaal’, onze ‘Modersproake’, ons taaleigen komt. Natuurlijk loopt het verhaal voor de visser niet best af. Ik laat hem ‘uutglieren’ (uitglijden) in de blubber, modder; ik laat hem in het water vallen (kukelen); ik doe ‘vervelend’ tegen hem om te beklemtonen dat ‘veel’ een grote last kan zijn. Natuurlijk help ik mijn tegenspeler met ‘veel’ of ‘vol’ moeite uit het water.Onder instemmend geknik van de zaal mag de visser mij zijn excuus aanbieden. En zie, het was toch allemaal minder ernstig gemeend dan ik dacht. Ook ik bied hem mijn excuus aan voor mijn onbesuisde gedrag als reactie op zijn ‘belediging’ van mijn ‘Moedertaal’, “Want”, zeg ik, “mijne Moedertaal is de schoonste taaal.”Daarna komen we getweeën, hij met de ‘gärde’ (hengel) in het water, op de schoonste taalideeën. We komen zelfs op ‘vake’ (vaak), dat ook in het oude Fries al voorkomt. Het is een woord dat uit het Nedersaksisch in het Nederlands terecht gekomen is. Ik laat mijn vriend de visserhoren en zien dat ons ‘gekke taaltje’ bijna in alle woorden dezelfde medeklinkers gebruikt als zijn ‘Nederlands’. Met volle teugen laat ik hem genieten van de oostelijke eigenaardigheden. Onder mijn lezing kan ik een speld horen vallen, misschien omdat ik nog nooit zo moralistisch bezig geweest ben. En na afloop komt de jongen die wou gaan vissen op me af en zegt: “Iej hadd’n ons mooi te graaz’n. Bedankt!”