Veurholden

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 19 juni 2009
In de vakantietijd in de zomer trokken wij onder de Hollandse luchten de weiden, velden en rietlanden van de ‘weerden’, uiterwaarden, in. De knotwilgen lokten ons, jongens, want ze waren sappig en stoer uitgelopen. Dikke buigzame takken sneden we los van de kop en omdat het tevens vliegertijd was in deze maand, augustus, gebruikten wij ons vliegertouw om een boog te spannen die het wel goed zou doen. Stevige rietstengels verzamelden we. Takken van de vlier werden in stukjes van zo’n zeven centimeter lengte gesneden, het zachte hart werd verwijderd door dat uit het houtje te steken en we schoven het zo ontstane dopje op de stengel. In die dagen van de dertiger jaren in de vorige eeuw moet ik het begrip ‘voorhouden’ geleerd hebben. ‘Veurholden’ deden wij automatisch als we richtten met de ‘schieeteboage’, de ‘piel-en-boage’. Het doel werd voorbij gezien, want op een of andere manier, noem het schietervaring, kenden wij de wetten van de ‘kogelbaan’. De pijl werd immers tijdens zijn korte reis naar de grond getrokken en beet dikwijls al voor het ‘mikpunt’ in het zand. Je moest dus verder mikken dan het doel, wilde je dat treffen. ‘Iej mosten veurholden’, ervoor waken, erop letten dat je om over de sloot te springen verder moest springen dan je polsstok lang was. Aan jongens en meisjes die schieten ‘moesten’ leren, gaven we graag voorhoudles. Wie was ook weer die leuke jongen die zijn hond een eindje worst aan een touwtje voorhield? Was dat Dik Trom of een van zijn jonge dorpsgenoten? Er was immers kermis of zo in het dorp?! Ik moet de boeken over dat bijzondere kind toch weer eens lezen. Wedstrijden met ingespannen honden. Een jongen heeft een hengeltje gemaakt. Aan het ‘snoertje’ hangt een stukje worst. De jongen zit  op de ‘bok’. Hij houdt de hond de worst voor. Of die rennen wil! De jongen wint natuurlijk de hondenrace. Hij krijgt natuurlijk na de ren het stuk worst. ‘Het hef mien eleerd da’j oew leerlingen best een stuk worst veur meugt holden um hun te prikkelen tut werken, as der oke möör loon nöör werken is”. Voorhouden heeft alles met waarnemen, dus kijken, voelen, luisteren, te maken. Ik denk bijvoorbeeld aan het weer. Zullen we regenkleding en paraplu’s op onze wandeling meenemen? Het lijkt heel mooi te blijven en bagage die niet strikt nodig is, laten wij op een lange afstand liever thuis. Aan de horizon komen wat koppen op. Over anderhalf uur is dat nog niet hier, denk ik. “Ik hol’ ’t erveur dadde wiej het dreuge holdt”, schat ik. Voorhouden is in dit verband beoordelen, inschatten. Nog net voor de eerste hevige donderbui zijn we terug. Geluk gehad! “Ik mot oe toch is wat veurholden”. Aan het woord is een bevriend collega van de middelbare school waar ik werk. “Iej vertelt te völle verhaaltjes in de klasse. ’t Zal der veurholden of iej dit jöör deur de oefenstof veur het examen komt met disse vierde klasse. Ik waerschouwe oe mar!” Het laatste zegt hij met stemverheffing.Veurholden betekent in dit verband ‘erom spannen’, ‘te bezien staan’. Voor zover ik kan nagaan, komt veurholden in deze betekenis enkel in oostelijke dialecten voor. ‘Forehaldan’ moet veurholden in het Oudsaksisch geweest zijn. Ik leid dat af uit de samenstellende delen van dit woord: fore en haldan. Ik denk ook dat het woord in de betekenis ‘het zal erom gaan’ werkelijk omstreeks de achtste eeuw al bestond, omdat het zo’n ‘gespannen’ betekenis heeft die verband houdt met ‘slagen’ of ‘afgaan’. Het zou er voorhouden of de oogst voor de buien binnen zou zijn bijvoorbeeld. Maar ik stop. “Ik holle ’t veur ezieen”, zei de blinde, en hij verliet het pand. Ik zou dat laatste niet hebben durven vertellen, als ik het niet zelf gehoord had.