Verslateren

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: vrijdag 19 juni 2009
In Rioz kamperen we. Dat ligt zo'n dertig kilometer ten zuiden van Vesoul, dat ongeveer honderd en vijftig kilometer ten zuiden van Nancy ligt. Het is schitterend weer. We gaan fietsen, dat kan met onze fietsen met drie versnellingen hier. Het land is wel heuvelachtig, maar te vaak afstappen en 'bergie-op-douwen' is niet nodig. Bij het afdalen is de beloning overigens groot. Rijdend door dit bosrijke veeteeltgebied nemen we waar dat alle koeien roodbont zijn. De horens zijn niet afgezaagd en ze lijken op onze oude Maas-Rijn-IJsselbeesten. De boerenbedrijven zien er welvarend, goed onderhouden uit. We komen in een gehucht, zoals er talloze in Frankrijk zijn. We bewonderen het oude waslokaal op de kleine brink. Als we verder rijden, hoor ik mijn vrouw plotseling roepen: "Gerrit, kijk eens naar links, wat een bende!" Ik kijk. Daar ligt een volkomen versmeerde, niet onderhouden, mesterige boerderij. Het erf is niet meer te zien door de beestenboel van mest, modder of liever nog slat. Dat laatste Friese woord geeft beter aan, dat dit meer een met slijk gevulde waterplas lijkt, waar een sloot in begint, dan een boerengedoe. Ik kan dan ook niet anders roepen dan "Nou, nou, hier hebt ze der ook aerdig mee hen eslaterd! Wat een troep!" Op dat moment komen er een man en een vrouw naar buiten. Ik schiet bijna vol van ontroering, als ik hun uiterlijk zie. Zij hebben niet enkel hun bedrijf verwaarloosd, maar tevens zichzelf. "Ze hebt hun eigen helemoale verslaterd", denk ik. Die gedachte wordt verweven met een beeld uit mijn geboortestad, van die vrouw, die geestesziek en onbedoeld zichzelf en haar woning totaal verslaterde. Ook bij die vrouw kwam ik niet verder dan de ontroering, die mij meteen in mijn dialect deed reageren. Middelen om hulp te bieden had ik toen niet en heb ik nu nog niet. Wij fietsen dus 'gewoon' verder. Bij zo'n ontroering kan ik niet blijven. Mijn hersens buigen het gevoels- en denkspoor om. In dit geval denk ik verder over slat, slateren, verslateren. Ik praat nu ook niet meer onder het fietsen. "Je bent zeker al weer over je volgende stukje voor het Deventer Dagblad aan het denken", zegt Ali een beetje boos, want ik heb  immers vakantie. "Nee hoor", zeg ik terecht, "Ik ben een beetje geschrokken van die mensen, die waren niet helemaal in orde, denk ik". "Dat weet die buurt ook wel", zegt mijn vrouw nuchter."Slat moet wel familie zijn van sloot", denk ik verder hardop. "Zou dan sloot komen van de verleden tijd van sluiten? Een sloot sluit immers het ene stuk land van het andere af; een sloot is een waterscheiding. In dat water zit modder en er zijn plantenresten. Dat is het slat. Ali, wat zit onze Saksische taal toch prachtig in elkaar. Taal leeft op een geweldige manier. Toevallig weet ik uit mijn hoofd het Oudsaksische woord voor sluiten: sloetan, gespeld Es - El - Uu - Tee - Aa - En. Latijn: claudere. Wie opgesloten zit, bevindt zich in een kluis. Wie met zaken heen slatert, hoe dialectachtig dat ook mag klinken, heeft zich tijdelijk op- en afgesloten voor bepaalde dingen, verslatert zijn zaken, en eindigt op den duur in het slijk en in de sloot. Het verband tussen sluiten en kluis zal ik weleens nakijken, als we weer thuis zijn, want stukjes schrijven voor de krant, nee, dat moet ik in de vakantie zeker niet doen"."Je bent een rare, onder het fietsen draai je een heel artikel in elkaar en dan beweer je keihard, dat je niet voor de krant bezig bent", zegt mijn vrouw. "Dit kan met die gebeurtenis toch zo niet in de krant?" "Ik zou niet weten waarom niet. Anders sleep je er vaak in je stukjes veel te veel theorie bij. En daar gaat het niet om; het gaat om de beleving!"  "Oooh", zeg ik.