Vente

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 18 juni 2009

Staatsinrichting hadden we van mijnheer Saunders. Dat was een merkwaardige kerel. Wij zeiden dat hij een gekke vent was, maar dat bedoelden we natuurlijk helemaal niet zo kwaad, wan we hielden juist van afwijkende docenten; die waren het zout in de flauwe schoolpap. Hij vertelde ons eens dat hij zijn arbeidzame leven begonnen was als sjouwer in een haven. Ik meen in Amsterdam, omdat hij het eens over het ‘Blaauwhoedenveem’ had. Volgens hem droegen de deftige Amsterdamse kooplieden van die vennootschap, opgericht tot het drijven van handel, grote blauwe hoeden. Zo konden de leden elkaar gemakkelijk herkennen. Daar de heer Saunders enorm fantaseren kon, geloofde ik hem toen niet; nu eigenlijk nog steeds niet.

 

Hoe kom ik op Saunders, veem en vennootschap? Even denken … . O ja, dat komt door een opmerking van Bertus naar aanleiding van mijn stukje ‘Wichters’. Ik maak daarin de aantekening  dat wichter niet enkel meisjes zijn, maar ook kinderen in het algemeen. “Op de Oost-Veluwe kenne wie ‘vente’; dat gef neet alleen jonges an, mar ook kinder in ’t algemeen”, zei Bertus. Op dat moment schoten mij achtereenvolgens de volgende woorden te binnen: vent, veem, vennoot, ‘Blaauwhoedenveem’, Saunders.

 

Ik geloof dat mijnheer Saunders een echte vent was. Hij stond voor wat hij voorstond. Van het nazi-regiem moest hij niets hebben. Repetities gaf hij niet veel, nooit eigenlijk. Leerlingen die voor mij les van hem gehad hadden, waarschuwden me. Je kreeg slechts ene keer een beurt bij het overhoren. Het cijfer dat je haalde, kreeg je op al je rapporten in de derde klas; toen hadden we les van hem. Rare vent! Laat ik nu de allereerste beurt krijgen over de magistratuur. Ik had mijn zaakjes uitstekend erin gestampt en ik wist het verschil tussen de zittende en staande magistratuur prima uit te leggen. Waardering: 8! Op al mijn rapporten daarna kreeg ik, althans in mijn herinnering, een 8. De 8 kwam voort uit een motto: een 10 voor God, een 9 voor de meester, een 8 voor de leerling. Rare kerel! Maar wel om van te genieten. Een meisje vertelde me eens dat ze in de eerste les meteen uit de klas verwijderd was. “Jouw gezicht staat me niet aan; deruit”, zei hij. Nu moet ik eerlijk zeggen dat het kind ook hondsbrutaal kijken kon.

Zo iemand noem ik dus een vent. Ik neem hem natuurlijk maar als voorbeeld. Zelf zou ik kinderen in het algemeen geen vente kunnen noemen. En dat is nu weer het mooie van taal: de mens handelt ermee als was hij of zij lid van een taalvennootschap. En als zodanig zijn wij allemaal ‘vente’.

 

Veemgenoot werd tot vennoot; vennoot werd tot vent. Een vent zou, als voorgaande theorie juist is, een lid van een veme of veem geweest zijn. Dat vind ik feitelijk wel een heel mooie gedachte. Alle mensen zijn 'vente’, leden van een vennootschap, die wij ‘mensheid’ noemen. Jammer vind ik het dat tegenwoordig ook koopmanschap bij veel leden van de mensheid een te grote rol is gaan spelen. Het lijkt wel alsof  vent regelrecht afkomstig is van het Franse ‘vendre’, verkopen, en het Nederlandse ‘venten’; die verwantschap kan ik natuurlijk op geen enkele manier bewijzen. Gelukkig ken ik hier en daar ook nog een vent, zowel van vrouwelijk als manlijk geslacht, die de verdiensten niet haalt uit de medemens, maar verdiensten daarvoor heeft.

 

In gedachten sta ik achter mijn kleinkinderen die met de computer bezig zijn. En ik zie Bertus ook achter zien vente staan. Bij hem zijn het al de achterkleinkinderen. En we staan te genieten. Ik denk daarbij maar niet teveel vooruit. Het loopt immers toch allemaal heel anders dan je denkt! Maar een van de zaken die ik zeker weet is dat de toekomstige volwassene een vent moet zijn, een mens die zich lid voelt van een gemeenschap, om die te dienen.