Veerpont

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 18 juni 2009
Van Hengforden op de fiets naar het veer bij Olst is niet zo ver, maar in de zomerse hitte wel warm. Mijn ritje doet me denken aan de Camera Obscura, aan het verhaal 'Een Oude Kennis', en wel het hoofdstuk 'Hoe warm het was en hoe ver...'. Maar de hoofdpersoon was daar een wandelaar en geen fietser, want in de dagen van Nicolaas Beets waren er nog geen fietsen. In ieder geval kom ik ook, net als de wandelaar, kletsnat van het zweet bij het Olster veer aan. Ik ga op de bank zitten in de hitte. Wat nu gebeurt, ervaar ik als een wonder: er komt een grote wolk en ik zit een tijdlang in de schaduw. "Iej bint zeiknat van het zweet", hoor ik naast me. "Vat mar gin kolde!" Het klinkt nadrukkelijk. Ik kijk opzij. De man naast me ziet er vertrouwd en vriendelijk uit; ik trek toch maar even mijn zomertrui over mijn bezwete lichaam. De man knikt, dat het verstandig is. "Ik komme hier 's zommers iedere dag", zegt hij. "Kom iej hier vake?" "Nee". - "Jammer." - "Woarumme?" - De man zwijgt. Ik zwijg ook. "Ik komme hier vake./ Ik kieke noa het veer./ Hen en weer, hen en weer./ Auto's met blote mensen en kinder./ Hen, soms weer; hen, soms weer./ De hemel is blauw en hel;/ het water is blauw en hel./ Op en neer, op en neer./ De oaverkante stek in de hemel; en ondersteboaven in het water./ Op en neer; op en neer./ Van de gunne kante kwammen mensen; gingen weer.../Op, neet neer./ Vake zit ik hier, neet umme te wachten,/ mar um te kieken noa het vertier bie het veer./ Soms denk ik: Wanneer geet mien Veer?/ Dan stoa'k op, goa op huus an; ik heb nog te doon./ Het Veer; hen ..., op..... Veur mien gin wanneer." Stilte.'Zo is het'. Ik weet niet of ik het zeg, of hij het zegt, of dat ik het denk. Ik krijg trouwens geen tijd om daarover na te denken, want de man gaat verder: "Iej mot neet denken, dat ik altied zoo proate, mar zoo of en too schrief ik mien gedachten op. Dat doo ik dan a'k hier bie 't veer heb ezèten, en wat heb zitten filosoferen oaver het lèven, want dat is net een veerpont. Iej mot zelf vären, en feitelijk most iej ook zelf de richting bepoalen können, mar het lik soms wel of dee al helemoale bepoald is. Mar dat zal oe verder een zörg wèzen." Ik zeg dat het me helemaal geen zorg zal zijn, maar dat ik zijn gedicht over de veerpont mooi vind en dat ik graag kennis neem van zijn overpeinzingen. Een beetje wantrouwend kijkt hij me aan. "Ik meen het," zeg ik, "en als U het goed vindt, zet ik Uw gedicht ook nog in de krant." Dan vertel ik hem dat ikzelf ook graag in mijn eigen taal schrijf. Over dingen die je gedachten en gevoelens los maken, kun je immers in alle talen spreken en ... zwijgen. Nu komt mijn gesprekspartner los: "Ik hebbe oaver mien lèven zoovölle dinger te vertellen, woorvan ik het te persoonlijke deur zwiegen wil angeven, da'k het mar een beetjen verpakke; de mensen mot het zelf mar uutpakken. Veur wee mien kent, is dat neet moeilijk."Hij staat op, grijpt in zijn broekzak, staat met een verfomfaaid boekje in de hand. Hij bladert erin, scheurt een bladzijde eruit. "Hier, doot der mar mee wa'j wilt. A'j't mar gebruukt." Dan beent hij weg. Ik roep hem na: "Hoe heet U?" Maar hij gaat op in de trillende lucht boven de dijk, mij met een probleem achterlatend: Hoe vind ik ooit terug, wat hij met bloed en zweet in zijn hoofd gewrocht heeft. Ik bekijk zijn aantekeningen en ik lees: 'de veerpont geet hen en weer. Ik zit der noa te kieken. Wie goat allemoale dezelfde kante op. Woor zollen ze wèzen dee neet weer komt. Zit ze nog op de pont? Kan neet. Wat dan? ...' Dan wat onleesbaar gekrabbel... Ik voel het blaadje uit mijn handen glijden. Ik schrik, raap het op: het zijn mijn eigen aantekeningen.