Utkedut

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: dinsdag 16 juni 2009

Er zijn mensen die hardhorend zijn. Er zijn mensen die doof zijn. Er zijn mensen die doof en daardoor stom zijn. Mijn eigen moeder heb ik als hardhorend gekend, als doof en als stokdoof. “Ik bin zo doof as een kwärtel; iej mot mien möör neet kwoalijk nemmen!” placht zij luid en duidelijk, dat is goed gearticuleerd, te zeggen. Gelukkig dat zij het zelf zei! Als een ander tegen me had gezegd dat mijn moeder zo doof als een kwartel was, had ik dat niet fijn gevonden. Ik hoor in ‘zo doof als een kwartel’ iets veroordelends, iets van éigen schuld dikke bult! En dat komt misschien door de ondertoon waar het mee gezegd wordt. Men spreekt zelf onduidelijk, de ander verstaat of begrijpt het niet en reageert met “Wat zegt U?”

De kwartel is helemaal niet doof! Het hoentje verstaat, begrijpt, de mensentaal niet. Het reageert er niet op. Zo doof als een kwartel zijn betekent oorspronkelijk waarschijnlijk ‘het niet begrijpen’, wat geassocieerd wordt met ‘dom zijn’. Kijk, zo is het eigenlijk nog. Mensen die doof zijn, worden niet voor vol aangezien. Ze worden bijvoorbeeld vergeleken met een lijster: surdior turdo; dat is Latijns; het betekent ‘dover dan een lijster’. Of in het Fries: sa dóf as in ekster; dat behoeft geen toelichting. In sommige streken in het Saksenland kan een mens ulke-doof zijn. Dan is die mens minder begrijpend dan een bunzing. En dat dier stinkt ook nog. En als de mens zo doof als een pot is, is het helemaal mooi, want dan is er zelfs geen gevoel!

Ik vind het dus een belediging als een ander mij zo doof als een utkedut noemt. Zo noemt de Twent een kwartel, zo hoort die Twent dat ongeveer twintig centimeter lange boshoentje te noemen in zijn moedertaal. Hij mag ook hutkedut zeggen en zelfs upkeduk, want de medeklinkers doen er niet zoveel toe.

In mijn ‘Het Nieuwe Vogelboek’ van F. M. Engel, ooit verschenen bij N.V. Gebr. Zomer & Keunings Uitgeversmij – Wageningen,  lees ik de belangrijkste zaken nog maar eens door. Die staan bij Plaat 24 op bladzijde 110. De kwartel is daar achttien centimeter lang. De kwartelslag, het stemgeluid, het gezang is ‘pikperwik’ … . Onmiddellijk vergelijk ik dat met de Twentse naam ‘hutkeduk’. En ik zeg langzaam “ikkerdik, ukkerduk, hukkerduk, utkerduk, utkedut”. En het is net of ik met historische spraakkunst bezig ben. Ik zie de klanknabootsing verschuiven van klinkers, i … er … u …, over medeklinkers tot utkedut. Ik hoor een stuk taalontwikkeling! En of de kwartel nu een patrijzensoort is of niet, het is een utkedut, een pikperwik. Het dier heeft de naam gekregen van zijn eigen geluid. Maar … het luistert niet naar die naam, want … het diertje is zo doof als een kwartel maar zijn kan: het verstaat geen mensentaal.

Op zondagmorgen, bij het luisteren naar ‘Vroege Vogels’, heb ik Nico de Haan nooit de kwartelslag ten beste horen geven. Ik hoop dat hij eens kwartelslag laat horen. Ik weet zeker dat hij er bij zal vertellen, zoals tenminste in mijn boek staat, dat de kwartel bij tijd en wijle helemaal uit Nederland verdwijnt en dan plotseling weer opduikt. Zo gebeurde dat opduiken bijvoorbeeld in 1964, maar mijn boek is al oud. Misschien is het dier al lang weer verdwenen. Ik weet zulke dingen allemaal niet. Misschien moet ik eens wat meer mensen opwekken naar uitzendingen als ‘Vroege Vogels’ te luisteren. Die geven een schat van natuurgegevens; daar horen gegevens over ‘Taal’ tenslotte ook bij. Met Gezelle zou ik willen zeggen “Mij spreekt de blomme een tale”. Ik zou willen zeggen “Mij spreekt de Natuur de Taal”. Dat deed zij mijn moeder ook: zij was niet doof als een kwartel! Onthoud dat!