Tuug.

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 juni 2009
"Ik binn' in mien jonge joor'n veur d'n eerst'n moal in de skouwburg in Dèèmter ewest. Door spöld'n toen Alleburt van Dalsum. In 't kist'ntuug ginge wiej, mien olders en ikke; ik wazze enigste zönne en mien vaa, trouwens mien moo oke, woll'n da'k kennis maak'n met 't teneel. Van Dalsum spöld'n Hamlet of zoo. Dat weet ik nieet meer. Doornoa bi'k der nog vake ewest, tut veurig joor an too. Noe ka'k dat nieet meer. Afijn, wule hebt noe de tillevizie, zuw we mar denk'n, al is dat surregaat. A'j trouwens de leste joor'n veur de veurstelling um oe hen keek'n, wier iej der oke nieet vrolijker op; spiekerbrook'n, slobbertrui'n, löshang'nde boord'n. Der wären der nog mar weinig in't beste pak of in een mooie jurruk ...".Ik kan het niet helpen dat ik deze verhandeling van die oude keurig geklede heer tegen zijn, met een hand aan een oorschelp luisterende al even keurig geklede tafelgenoot, afluister; ik moet wel, want de verteller schreeuwt. Hij praat door over de mens van tegenwoordig, op een manier die de goede oude tijd laat leven in het licht van de moderne omstandigheden. De goede, oude tijd, de tijd van kistentuug of kastentuug, dat je een heel leven droeg, want dat slechts bij bijzondere gebeurtenissen, zondagse kerkgang, bruiloft, begrafenis, schouwburgbezoek, uit de kist of de kast kwam. Daar had het tenslotte zijn naam aan te danken. Men trok zijn beste tuig aan, zoals men ook een schip optuigde. Ja, tuig heeft hier direct verband met de tuigage of het materiaal waar men een schip mee 'optakelt'. Tuigage of takelage is de aankleding van een schip. Dat vind ik een mooi beeld: de mens als een schip varend door het leven. Het wezen kleedt zich voortdurend aan en uit om veel redenen. Feestkleden zijn er, werkkleding is er, rouwkleren zijn er, kortom de mens kan zich naar de omstantigheden optakelen of toetakelen. Het is duidelijk dat de oude mijnheer aan de tafel naast mij spijkerbroeken, slobbertruien, loshangende overhemden geen optakeling maar toetakeling vindt. Als hij de tegenwoordige bezoekers van de schouwburg maar niet allemaal 'tuig van de richel' vindt. Vroeger werden hiermee de mensen aangeduid die voor een habbekrats in de schouwburg op de richel mochten zitten. Die richel zat achter de hoogste en goedkoopste plaats, dus nog achter de engelenbak; je kon er het toneel niet of nauwelijks zien. Bij die richel was het altijd een gekke boel. Drankflessen gingen er rond, de mensen zaten 'ölienötjes' (pinda's) te eten, dronken bier, aten daar een zoute haring bij. Of dit woord 'tuig' nog familie is van kistentuug en peerdentuug, is niet met zekerheid te zeggen. Het lijkt me niet. Peerdetugen, aankledingen voor paarden, eigenlijk de toerusting om te kunnen trekken of dragen, zijn er in talloze soorten en maten. Een paar jaar geleden heb ik ze nog eens kunnen bewonderen op de paardendagen in Zelhem. Wat een pracht en wat een gratie! Door de deelnemers aan die dagen waren kosten noch moeite gespaard om mede door die 'aankleding' de toeschouwers een geweldige voorstelling te bieden. Kosten, zeker, de deelnemers moesten het wel kunnen 'tugen' of kunnen 'trekken' of 'betalen'. Dat was het antwoord op de vraag aan een oude paardenliefhebber: "Is zo'n sport als vierspanrijden in wedstrijdverband nou niet heel erg duur?" "Och, wat za'k oe zegg'n, iej mot 't tugen könn'n. Meschiens kump der oke nog wel sponsoring an te passe, da' weet ik wel zeker. Moa van mien mag dat allemoale, want het is toch een härtstikke mooi gezichte, of neet tan!""Tugen", dacht ik toen, "in het Gotisch tiuhan; ustiuhan is uitvoeren of volbrengen. Een keurig tuug kopen, ook dat moet men kunnen volbrengen of ... betalen".