Tuitelig.

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 juni 2009
  "Diee Duutsers komt uut diee bunker diee ze net in mekäre ebombärdeerd heb'. Diee Canadezen omsingelt hun; zee hoofden egeenieet meer wat te doon. Deur de klap wazzen ze allemoale beduusd. Tuitelig stonden ze op de benen, net asof ze neet wisten welke kante ze op mosten goan en döörumme möör treuzelend stoan bleven".Aan het woord een man uit de Achterhoek, die nog precies weet, nu, vijftig jaar na de wereldbrand, hoe hij en de zijnen bevrijd zijn. Natuurlijk geniet ik van zijn verhaal, want aan het eind van de Tweede Wereldoorlog was ik nog niet eens puber af. Ik geniet dubbel, door zijn rake dialectische woordgebruik, bijvoorbeeld van dat woord 'tuitelig', dat ik ook ken als 'tutelig', 'tuuntelig',dus met die mooie neus-n erin, en 'tuntelig'. Ik besef juist nu, hoe fijn het is dat ik diezelfde taal versta en spreek, ook al zijn er nuanceverschillen in klank, melodie en toon. Maar dat toonverschil is zo klein, dat zijn toon dezelfde muziek maakt als die van mij: Blijdschap enerzijds om de bevrijding; droefheid toch mede, om dat wat verloren ging.Tuitelig staat de mens eigenlijk altijd in het leven; hij wordt er doorheen getuimeld om maar eens een Frankisch familielid van het Nedersaksische tuitelen te gebruiken. "Tumle", zegt de Deen in plaats van tuimelen of tuitelen. En dat heeft allemaal weer met duizelen te maken. Daar moet dezelfde stam in zitten. Toen ik bij de bevrijding van mijn stad de eerste Engelse virginia-sigaret opstak, "wier ik härtstikke duzelig en stond ik tuitelig op de benen". En ik kan me voorstellen dat een ander zeggen zou: "Ik stoa wat duus op de benen" of "Ik veule mien inens zoo tuus (met een heel lange -uu-)" of in plaats van "tuus" "ties" of "tieuws".Wij tuitelen door het leven. Wij wankelen door het leven. Wij duizelen door het leven. Wij struikelen door het leven. Daarom zoeken wij houvast. Vaste markeringspunten palen ons bestaan af. Die "poalen" of "grenzen", daar grijpen we ons aan vast. "Zonder de palen, zou ik het einde van de levensstroom niet halen", zei een wijze binnenvaartschipper mij eens; hij doelde op de kribbepalen, die de tuitelige weg door de kronkelende rivier aangeven.Het Achterhoeks kent "tuntelen". Dat is treuzelen. Wie duizelt en wankelt, treuzelt immers. Zo liggen tuitelen en treuzelen in elkaars verlengde. Maar "tuntelig" blijft dichter bij de oorspronkelijke betekenis: "Wat steet dee toafel toch tuntelig! Hee zwiebelt". En zwiebelig is hetzelfde als wiebelig, wankel. "Op nen zwiebeligen banke mo'j nooit zitten goan; iej sloat umme".Wie tieuws is, huivert vaak; hij of zij heeft dan wat koorts, meestal tenminste. De Zweden gebruiken het werkwoord 'tuttra', als zij huiveren. Aan 'tu-' zien we de verwantschap met wankelen of struikelen."Afijn, dee Duutsers hoofden de hand'n nieet in de nekke te legg'n. Ze kond'n vrie met de Canadezen meelopen, zag ik we'. Ik hadde nog medeliej'n met dee jungeskes oke. Ze wazzen vaste neet older as mien, en ik wazze toen zestiene. Möör rook'n doo'k neet meer. Door bi'k in dreeëntachtig mee estopt. Völs te hoge blooddruk. A'k 's märgens opstonne, waer ik al tuitelig op de benen"."Kijk, dat is het nou, wij wankelen door het leven", denk ik hardop. "Zelfs aan een strootje in de mond klampen we ons zo vast, dat we daar bijna niet meer los van komen. Alles is tuiteligheid. Nou ja, laat ons maar verder tuntelen. Alle tuntelen is nog geen stuntelen. En gelukkig is tussen die woorden geen enkel taalkundig familieverband.