Tranen

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: zaterdag 13 juni 2009
Geen week meer en dan is het pasen. Vijftig jaar geleden was ik gedwongen iedere morgen op de klompen naar Schalkhaar te lopen om aan het Overijsselse Kanaal te werken. Nu fiets ik met mijn vrouw, die ik toen nauwelijks kende, van de Zandbelterbrug naar de Cröddenbrug, hetzelfde eind dat we moesten lopen toen, om rechte boomstammetjes op de nek te vervoeren van de Zandbelter- naar de Cröddenbrug.  Op de dag voor het Paasfeest moesten we gewoon op komen draven. In "Een Dèventer jonge in  Oorlogstied" vertel ik daarover. Nu, op de fiets, hier weer ter plekke, schiet me een passage uit het hoofdstuk "Poasen, 1 april 1945" te binnen. De mannen, waaronder ik, worden ontvoerd door de Duitsers naar Goor, en op Eerste Paasdag ontvlucht ik met enkele anderen.  "Bie Märkelo stakken ze de weg oaver, liepen een endjen verder nöör De Wippert, weer langs zandwègen, wöör ze gin ene tegenkwammen. Vandöör, met nauwelijks rust onderweg, ging het oaver Loo en de Oxerhof nöör de Snippeling. Een uur of zeuven liepen ze der oaver. Tegen een uur of vieve 's middags stakken ze bie het Overijsselsch Kanaal nöör Roalte de Rijksweg oaver ... ".  Ik weet niet of ik mezelf helemaal juist citeer, maar daar gaat het me niet om. Het gaat erom dat nu weer bevrijdende tranen me over de wangen lopen, omdat we het toen gehaald hebben. "En dieezel'de troanen liepen bie de thuus wachtenden oaver  de wangen. Soms wären dat trööntjes, zooas bie de kleine kinder", denk ik. Die woorden 'tranen van blijdschap', 'tranen van gevoel', maar ook 'tranen van verdriet' hebben vijftig jaar geleden een enorme betekenis voor me gekregen, en het klinkt in mijn eigen oren gek, als ik hardop onder het fietsen zeg: "Op diee thuuskomst drink ik temekes in Lettele nog is een lekker trööntjen koffie!"  Ik bedenk dat 'een traantje' koffie niet voor niets zo is gaan heten. Bij droevige en blijde gebeurtenissen, op hoogten en in diepten was bij de mens het oogvocht, het druppelende water, de traan, zichbaar. Een traantje of trööntjen werd gelaten door een ieder, die nauw betrokken was  bij het verdriet, de vreugde, de ontroering. En koffie moest er in ons Nedersaksische land dan zijn, "Krööntjeskannen vol trööntjes", zei een heel oude vriend eens tegen mij. "Ik hoape dat iej um mien neet zoovölle troanen loat". Hij bedoelde natuurlijk het tegenovergestelde.  Ondertussen zijn we bij de Cröddenbrug. We slaan linksaf, richting Lettele. Ik begin weer tegen mijn vrouw te praten, wat haar de opmerking ontlokt: "Ben je uitgepiekerd?" "Ik piekerde niet", zeg ik. "Ik geloof dat ik weer wat gegevens heb voor een stukje. Ik moet thuis alleen nog wat dingen naslaan". In Lettele drinken we 'een trööntjen koffie', ook al noemen ze dat hier niet zo. Maar koffie geeft mij nu eenmaal die bepaalde ontroering, die me rustig maakt, waardoor ik helemaal mezelf word. We fietsen terug naar huis. Ik ga wat gegevens verzamelen over 'tranen'. Traan is oogvocht, maar ook visolie. Troan, troane, beide ook wel gespeld als traon en traone zijn in het Middelnederlands traen, in het Oudsaksisch is het meervoud bekend, namelijk trahni. Het enkelvoud moet dan wel trahno geweest zijn; misschien bestond het ook niet. Ik vind varianten in nog wel tien andere Indogermaanse talen. Er is wat afgetraand in Europa. Het is ook wel een werelddeel waar de gemoederen van de mensen hevig geraakt zijn in de loop der tijden. Ook in mijn eigen streek, in mijn eigen taal heeft de mens vaak van zichzelf moeten zeggen: "De troanen liepen mien oaver de wangen". Helaas was dat bij de meesten van hen vaker van verdriet dan van vreugde. "Hier, nem nog een trööntjen koffie”, hoor ik in me.