Toesken

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 juni 2009

“Iej goat mien dat nieet buten”, zei de vader tegen zijn zoon, die zijn mooie brandweerauto mee naar buiten wilde nemen. “Döör is dat dink völs te duur veur!” De jongen knikte. Hij wist waar hij aan toe was. Toen ging hij naar buiten. Hij wist wat het betekende, buiten niet te mogen buten of buiten. Al wilde hij nog zo’n goede beurt maken bij een vriendje, hij mocht zijn mooie auto niet ruilen tegen iets van veel minder waarde. Verkwanselen werd dat ook wel door zijn vader genoemd. De jongen wist wel, dat zijn vader ervan op de hoogte was dat zijn zoontje erg gepest werd. Dat het ‘jungsken’ daarom vaak dingen deed om bij zijn speelgenoten in een goed blaadje te komen. De vader had nooit durven zeggen dat zijn zoon er maar eens flink op los moest slaan, als ze hem weer te na kwamen.

De jongen wandelde, slenterde, met tegenzin naar de speeltuin. Hij zette zijn mooie auto op de tegelplaats voor het hok waar de leider hoorde te zitten. Hij nam zijn afstandsbedienig en liet de brandweerwagen mooie rondjes draaien. Binnen een paar seconden had hij veel bekijks! Een van de grotere jongens stak zijn been uit. De wagen knalde tegen zijn voet! Met een akelig blikken breekgeluid sloeg hij over de kop. De pesterijen leken weer begonnen. Leken. Want toen de wagen met draaiende wielen op zijn zij liggen bleef, ontvlamde er in de knaap een verschrikkelijk kwaadaardig vuur. Hij stormde op de veel grotere jongen af, klom als het ware als een aap in de vent en ramde hem met zijn rechter vuist midden op zijn neus, waar meteen het bloed uit kwam stromen. Toen viel hij op de grond. De grote jongen veegde met zijn hand langs zijn neus, van de pijn. Hij zag het bloed aan zijn hand. Maar … gelukkig voor de kleine knul kon hij niet tegen bloed! Hij zakte in elkaar. De speeltuinleider kwam net aanlopen. Hij zag wat er gebeurd was. Hij glimlachte, haalde een glas fris water uit zijn ruimte en bracht de knul weer op de been. “Boontje komt om zijn loontje”, zei hij toen. De grote pestkop droop af. De andere kinderen verdrongen zich om de jongen met zijn auto. Een en al belangstelling. De ladder bleek afgebroken, maar de bediening deed het nog. Om beurten mochten ze het stuurwiel even vasthouden! Onbewust had de kleine jongen gedaan wat hij doen moest.

Toen de jongen thuiskwam, kon hij vertellen dat hij fijn gespeeld had. Hij liet zijn vader het mankement zien. “Hoe is dat ekoamen?” -  “Oaver de kop eslagen!” -  “Kan gebeuren!”

De vader repareerde de ladder. “Ik bin bliej dat iej de wagen neet toesken wollen!” zei hij.

Buten en toesken. Twee woorden uit de Achterhoek, die beide ‘ruilen’ betekenen. Buten komt in het Middelnederlands voor. Het betekent dan al verkwanselen, ruilen, buit maken. Buut of buit is er het grondwoord van. Toesken is in het Duits tauschen en täuschen. Het eerste is ruilen, het tweede is iemand om de tuin leiden, bedriegen. Ik heb me laten vertellen dat toesken hetzelfde heeft betekend als het Franse toucher, uit te spreken als toesjee.  Als mensen vroeger, in de tijd van de ruilhandel, dingen met elkaar ruilden, dan werd eerst de kwaliteit ‘afgetast’. Bij goedkeuring door beide partijen werden de zaken aan elkaar over gegeven. Ik sta niet in voor de waarheid van dat verhaal. “Als het wöör is, is het mooi”, zou mijn vader zeggen. En ook wel: “Diee het ’t laatste vertelt, lef nog”.

Tuisen is Hollands en Nederlands. Het wordt tegenwoordig niet of nauwelijks meer gebruikt. Ik hoorde het enige tijd geleden nog eens in de plaats van ‘dobbelen’. Och, dat is ongezien ruilen feitelijk ook. Dat blijft gokken. En dat doet mij dan weer aan de beurs denken. Is men daar niet voortdurend aan het buiten en tuisen? Dit is geen oratorische vraag! Ik zit werkelijk met dat probleem. Die twijfel, die mij gelukkig niet verscheurt, maakt dat ik nog nooit voor mij heb laten handelen in wat voor aandelen dan ook. En ik zal er nimmer aan beginnen.