Toppe.

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: donderdag 11 juni 2009
Teevee kijken doe ik naar vermogen. Als ik geen andere interesses had, zou ik kijken naar alles wat beweegt. De reclamejongens en –meisjes hebben mijn meeste belangstelling, want zij spelen met beelden en taal en daardoor met beeldtaal. Soms dwingt een deelnemer aan een reclamespot mij veel respect af. Ik denk daarbij aan die mevrouw die met haar prachtige ‘top’ of ‘pruik’ in de kappersstoel zit. Haar ‘kuif’ lijkt heel natuurlijk, maar zij komt er eerlijk voor uit dat het niet haar eigen haar is. Op een gegeven ogenblik neemt zij de top van haar hoofd. Er zijn veel kale plekken te zien op haar kruin. Met stralende ogen vertelt zij hoe haar kapper met de ‘top’ haar zekerheid gegeven heeft. Ik vind die vrouw een ‘groot’ mens! Die kappersreclame doet het bij mij: het is een beeldroman.Het is weer herfst. Het gaat tegen de winter. In de volkstuinen is de boerenkool aan het groeien. Straks zullen de planten met hun in de wind waaiende kuiven wachten tot de vorst erover is gegaan. Dan sta ik weer in de keuken om een lekkere stamppot boerenmoes, moes, in het dialect moos, klaar te maken. Is er geen vorst, geen nood, dan komt mijn moes uit de diepvries. Dat is even lekker. Ik zie mijn moeder weer staan bij de groentekar van Ome Jan Zwiers. “Jan, ik wol een paer lekkere töpkes boerenkool van oe”. Moeder zei niet “moos” of “moes” maar boerenkool. “Joa Lucie, dat kan, de vorst is der al oaverhen egoan”.Töpkes. Ik wist dat een struikje boerenkool in het Achterhoeks en Deventers een ‘töpken’ genoemd werd, maar ik had geen idee waar dat woord vandaan kwam. Natuurlijk hoorde ik ook het woord ‘toppe’. Want Oom Jan, die een vriend van Vader was, zocht de mooiste toppen voor Moeder uit. Trots kon hij dan zeggen: “Kiek is wat een toppe!”Zeker vijf jaar heeft het geduurd, dat zoeken naar de afkomst van toppe. Het was in 1940 à 1945. Ik kreeg al die jaren Frans op school van een strenge maar uitstekende leraar: Mijnheer Buis. Hij was officier in het leger geweest, nu was hij officier in de Franse taal. Het woord ‘toupet’ kwam aan de orde. Dat betekent ‘kuif’. Daar het in die jaren niet de gewoonte was uitgebreid in de les de historie van woorden in te duiken, daarvoor was het lespakket met zo’n vijftien vakken veel te omvangrijk, was ik op mijn eigen associaties aangewezen. Ik dacht aan de boerenkool in de tuin. Eén stronkje met ‘kuif’ was een plant. Een stronk met een ‘toupet’, toupè, tóppe! Ik wist niet of die opvolging wel juist was, maar dat toppe verwant was met toupet, was voor mij een feit.Terug naar de kappersreclame die mij ertoe dwong er nog eens over na te denken, hoe alles om toppe in elkaar steekt. Toupet is in het Oudfrans top, kuif, dat via het Frankisch, waar het Nederlands uit geboren is, in onze taal als ‘kuif’ terecht gekomen is. Toppe  is niet meer dan oorspronkelijk een metafoor, een op vergelijking berustende beeldspraak. Zo is in het Brabantse de ‘toppee’ bekend, vermoedelijk een latere ontlening aan ‘toupet’. Een toppee is de op het hoofd van een paard naar voren hangende kuif haar. Vaak hangt die tot voor de ogen. En juist die toppee, daar doet mij de reclamespot voor de Almelose kapper met de one-man-show-naam aan denken. Natuurlijk lijkt het haarstuk van de vrouw in de reclame op geen enkele wijze op de kuif van een koolplant, maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat in de taal alles met alles samen hangt. En die samenhang te ontrafelen is gewoon leuk. Ik voel me ‘kaal’ als ik die samenhang niet zie.Het gebruik van toppe is plaatselijk. Heel wat dialectsprekers kennen het niet of niet meer. Men kan het woord rustig gebruiken: “Groenteman, een top boerenkool graag!”