Tied-van-lèven

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 10 juni 2009
Een paar mensen hebben me gevraagd wat ik vind van het dialect in de KRO-serie op teevee "Tijd van Leven". Gelukkig heb ik vanaf het begin de serie gevolgd en ik kon antwoorden dat ik dat dialect behoorlijk zuiver vind. De geschiedenis speelt zich immers af op de grens van het Nedersaksische en het Nederfrankische taalgebied, daar dus waar de -e- in -en niet achterwege blijft. Daar waar geen "Tietfanlèèvn", maar "Tiedfanlèève" gezegd wordt, zonder -n. Er wordt daar, in Old-Greffel, niet 'egèètn', maar 'gegèète'. ….Natuurlijk vergeet ik er niet bij te zeggen, dat onze taal niet één accent heeft, maar dat iedere plek in ons taalgebied zijn 'eigenaard'-igheden kent. Dat een -ij- niet overal en altijd een -ie-is en dat er in deze serie, die enkel en alleen al voor doven en slechthorenden ondertiteld is, enkele kleine concessies aan het Hollands, een Nederfrankische taal, gedaan zijn. Toch besluit ik één keer een aflevering af te 'luisteren' op de video. Die neem ik op, als we op een avond niet kunnen kijken.          Als ik nauwelijks met mijn 'wetenschappelijke' werk bezig ben en het woord bruidegom genoteerd heb, wat volgens de 'klagers' wel brudegom zal moeten zijn, luidt de telefoonbel. Het is een mijnheer Groothuis uit Colmschate. Hij informeert belangstellend naar het wondje aan mijn achterhoofd. Hij heeft 'Kluun' gelezen, dat blijkt. Hij vertelt me dat kluun in zijn dialect, het Twents, de korte, harde, donkere turf is. Ik bedank hem voor de aanvulling, maar ik schrik een beetje, als hij zegt dat hij bang is dat zijn opmerking als kritiek beschouwd zou kunnen worden, en dat hij daarom geschroomd had om te bellen. En wat dan nog? Wie aan de weg timmert, heeft veel bekijks, en kritiek is natuurlijk prima. Mede daarvan moeten mijn stukjes het hebben. En ik denk er meteen bij: "Welke taal men ook spreekt, altijd is er 'wat van of , of wat bie an te doon'; ieder veugeltjen zingt zooas het gebekt is!" Zijn aanvulling komt mij bij het verder afluisteren goed van pas: ik besluit die afwijkingen te noteren die mijn eigen dialect, het Deventers betreffen. Ik noteer die avond: wij (wie), gewes (ewest), den zoon (de zönne), wij hewwe (wie hebt), opsetied (opsientied), opgegeve (op-egeevn), krijse (kriesn), wat had den te krijse? (wat had den te kriesn), luze (luuzn), half vijf kump de fotegraaf (half vieve kump de fotegraaf), hij het geliek (hee hef gelieke), as hiee tied van lève krig (as hee tied van lèèvn krig), de beume (de boomn), pijl en boog (piel en boage), die snappe precies wat een soldoat graag zut (dee snapt precies wat een soldoat graag zut, en goa welterust zegge (en goa welterustn zeggn), hiee liek van gold möör is van stront (hee lik van gold möör is van stront). Deze notities zeggen mij hoe goed het dialect in deze serie gebruikt is. Ik besluit de volgende dag het Staring-Instituut te bellen, om te vragen wat de rol van dat instituut bij de verfilming van het verhaal van Albert ter Heerdt geweest is. Helaas is de heer Schaars niet aanwezig. Via de KRO bereik ik Albert ter Heerdt. Hij is een spreker van dit Liemerse dialect. We praten plat met elkaar. Van hem hoor ik dat Lucy Legeland de spelers het goede accent van dit dialect aangeleerd heeft. Hoedje af voor haar! Hijzelf komt uit Didam. Greffelkamp ligt daar vlakbij. Ik vind dat later in mijn ANWB-Atlas. Omdat zijn spel in die contreien gesitueerd is, heeft hij gekozen voor de namen Old-Greffel en Greffel. Einde gesprek.Dan laat ik alles bezinken en we gaan wandelen. Bij de ijsbaan staat Theo Wiggers. Hij schiet me aan: "Gerrit, kluun is bij ons in Twente die lange wat slappe turf, waar de resten van de planten nog uitsteken". Ik denk aan mijnheer Groothuis. Alle turf is dus kluun? Ja of nee?. Ik kom er wel achter, a'k möör 'tied-van-lèven' hebbe.