Suzebedde

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 08 april 2009

"Heb iej het mèken van Yde welis ezeene?" "Of ik het meisje van Yde weleens gezien heb? Nee". Ik vertel mijn vriend dat ik dat meisje in een Assens museum heb mogen bekijken, toen het daar met haar en al en met een gereconstrueerd uiterlijk tentoongesteld was. Het in het veen van Yde bewaarde lijkje, donker en verschrompeld, met resten van een wurgkoord om de hals, werd opgegraven en een moord van honderden jaren geleden kwam letterlijk aan het licht. Dat vertel ik mijn vriend. Daar ik niet zo gauw weet, waar het lichaampje zich nu bevindt, zeg ik: "A'j 't liek zeen wilt, zeuk iej zelluf möör uut, wööro'j wèèn mot".

Als ik dit vertel, staan we met z'n beiden bij een dichtgegroeide veenplas, waar vermoedelijk honderden jaren geleden turf uit gestoken is. Bomen en struiken staan er omheen, lang gelig gras groeit er weelderig, en bloemen in allerlei kleuren sieren wat nu een wilde tuin lijkt. Mijn vriend wil de tuin inlopen, maar na een paar voorzichtige schreden te hebben gemaakt om de planten niet te vertrappen, zakt hij plotseling met zijn rechter voet in de blubber. Gelukkig heeft hij stiefels, hoge stevige schoenen, aan, zodat enkel de schoen onder de prut zit. Als hij zijn schoen goed los wil trekken, zakt zijn andere voet weg. Met enige moeite komt hij vrij. "Ze meugt hier welis een bord neerzetten", moppert hij. Ik wenk hem mee te gaan. We lopen terug naar het pad of de zieuw of zuuw, en ik wijs hem het waarschuwingsbord met 'Niet buiten het pad begeven! Levensgevaarlijk moeras!'

Dan vertel ik dat in vroegere jaren de mensen die in een veenstreek woonden, precies wisten waar ze lopen konden en waar niet. Buiten de paden door het veen zakte je langzaam maar zeker naar de onderwereld. "Een vremden dee in het veen verzeild raakten, probeerden zien eigen der uut lös te werken, möör hee maakten het döör enkeld ergeder mee. En onderwiel e vortzakten, heurden e een gesuus en gezucht van de blubber: soe...oe...sss, blub...blub...blub, prusss...pruss...prusss. Het was net asof hee in een gespreid bedde diepe vortgleej".

"Schei uut, iej mot dat neet zo smeej (smeuïg) vertellen; 't is net as-of ik een berg botter inglieje!" griezelde mijn vriend. Ik zei, dat je dat gevoel ook wel zou moeten krijgen in zo'n geval. In de Achterhoek gebruiken ze voor zo'n dichtgegroeide veenplas de naam 'suzebedde', vertelde ik hem. Nee, eigenlijk zei ik het zo: "In de Achterhook neumt ze zon kats dichtegreujd veengat een suzebedde. Iej kunt noe wel noagoan wöörumme dat zo heet!"

Even is het stil. "Ik heb welis eheurd dat het suzen van de wind oke wel het fluusteren van de wind eneumd wordt". En mijn vriend geeft nu met een paar welgekozen woorden het geheimzinnige fluisteren van het veen met zijn berken er omheen aan, gecombineerd met dat bed, waarin meer levende wezens hun graf gevonden hebben. Het is de beschrijving van een suzebedde het meisje van Yde waardig. Hij moet dat lijfje inderdaad eens gaan zien. En dat zeg ik hem ook. Tegelijkertijd ben ik me ervan bewust hoe mooi de klanken van 'suuuzzebedde' zijn. Zij fluisteren het graf."Feitelijk is de echte natuur, dat wöör de mense zien hand vanof eholden hef, een groot suzebedde. Wèzens greujt en bleujt, riept en reujt huneigen of anderen uut. Dood heet dat laatste. Niej lèven ontluukt, greujt en bleujt, riept en reujt uut ... . Dan is de veenplasse een keer, noa honderden en honderden jören dichte. Zzzzzzzzzzz ... . De wind geet der oaver."

We kijken nu over de heide. De herder loopt er met zijn kudde. Of verbeelden wij ons dat? Suzebedde ... . Met dat woord heb ik wat, maar dat kan ik niet onder woorden brengen.