Sundes

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 08 april 2009

Een hele vrije zaterdag kende ik in de jaren dertig niet. Op zaterdag, soaters in ons plat, gingen we 's morgens naar school tot twaalf uur. Smiddes ginge wie nöör de padvinderieje. 's Middags gingen wij naar de padvinderij. Wij, dat waren twee oudere broers en ik. Mijn broers waren bij de verkenners, ik bij de welpen. Zij kenden het spel van het verkennen in de natuur, ik het spelen van de jonge wolven onder leiding van Akela, Baloe, Hati. Wij speelden, zoals Mowgly met de dieren speelde, gezellig, vrij, lerend. Het was een verademing, al kende ik als negenjarige dat woord nog niet, na een drukke schoolweek.

Op maandag, smoandes, begon de dag op school met het opzeggen van het versken, dat wij in het weekend uit het hoofd hadden moeten leren. Dat was ene strofe van een berijmde psalm of een gezang, want ik was op een christelijke school, toen. Dat was ons huiswerk. Ik had er een gruwelijke hekel aan zo'n lied op te zeggen als eerste van de leerlingen, want ik leerde het nooit. Soaters en sundes, 's zaterdags en 's zondags, had ik wel wat anders te doen. Sundes wol ik nöör Kewet, ik wou op zondag naar Go Ahead. Ik mocht als jongetje met de vader van De Putter, Henk van Putten, mee naar de Vetkampstraat. Die vader had eens in het eerste elftal van Kewet gespeeld. Daar was ik trots op. Ik wou later ook wel zo'n flinke voetballer worden.

Als Kewet won, speelden we daarna tussen de gemeentewei en de turfbulte van Wissink zelf een partijtje voetbal met een olde binnen-en-buten, die we ik weet niet waar vandaan hadden. Ik was dan natuurlijk, Leo Halle, kieper bie Kewet. De tegenstander was de club waar Go-Ahead net van gewonnen had: Enschede, Enschedese Boys, AGOVV uut Apeldoorn, Hengelo, Tubantia uut Hengelo, Be Quick uut Zutphen, Heracles uut Almelo, Quick en NEC uut Nijmegen, want heel vaak won Kewet toen! In mijn herinnering zijn ze in de twintiger en dertiger jaren zo'n vijftien keer kampioen van het oosten geweest en een aantal malen kampioen van Nederland. Het mooiste vond ik dat de spelers van die clubs in hun eigen dialect elkaar in het veld allerlei dingen toeriepen.

Dat was sundes in de herfst en in de winter. Logisch dat ik me de tijd niet gunde zo'n versje uit het hoofd te leren. Smoandes luisterde ik goed naar de eersten die het moesten opzeggen en dan kende ik het uit mijn hoofd. Maar ik had de kop nog bij die fijne zaterdag en met name de zondag.

Swoenzes, op woensdag dus, hadden we ook maar een halve werkdag. De middag was heel fijn, vooral in het voorjaar en in de zomer, als de zon scheen. Dan mochten we van mijn moeder een pond ölienötjes, pinda's, kopen op de hoek bij de kruidenier. Op de stoep voor 'Timmerfabriek De IJssel' döpten we ze een voor een en we genoten. Ook gingen we zwemmen in het IJsselbad, vaak kosteloos, want er waren meisjes en jongens die geen geld hadden om het zwembad te betalen. Swoenzesmiddes en soatersmiddes had ik altijd een zondags gevoel.

Donders en vriedes gebeurden er op school weinig leuke dingen. Ik mocht wel erg graag rekenen en tekenen. Vooral cijferen en hoofdrekenen deed ik graag. Ook met taal had ik weinig moeite, hoewel ik veel last had met de Nederlandse uitspraak: verken, merrekt, langes, elluf, zelluf, Deiventer, zoekn, zingn. Maar ik wist vrij snel hoe we aan een aantal woorden kwamen, bijvoorbeeld die de namen van de dagen aangeven: zon, maan, Tius, Wodan, Donar, Freya, Satur.

En noa zoaterdag kwam dan zundag. En sundes .... was het feest noa ... de sundeskole, de zondagsschool, van twaalf tot één!