Stee

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Dit spelletje had hij op een camping nog nooit meegemaakt. Het heette: 'Woordspel'. De spelleider legde het eerst uit. Iedere deelnemer, vijf konden er meedoen, moest een kaart trekken uit een waaier van wel twintig stuks. De kaarten waren genummerd. Wie het laagste nummer trok moest, beginnen. "Op Uw kaart staat een woord", zei de spelleider. "Praat vijf minuten over dat woord, zodanig, dat iedere luisteraar daarna de betekenis of betekenissen van dat woord kent, zonder dat U die betekenis omschreven hebt!" Dat was moeilijk. Rieks deed ook mee. Hij trok het laagste nummer. Bedenktijd had hij nauwelijks.

"Ik heb het woord 'stee' getrokken. In ons Vordense dialect zeggen we "stee(r)", dus net of er een -r op het end staat. Ik sta trouwens op de verkeerde stee. Ik zal even op een betere plaats gaan staan. Hier stee-t disse kleine jonge good. Ik zal af en toe maar eens een dialectzinnetje gebruiken, want dat luistert bij het gebruik van woorden die je niet mag verklaren in omschrijvingen, heel nauw. Goed dan, toevallig ben ik geboren op een boerenplaats. Die hofstee lag aanvankelijk een eind buiten het aardige stee-deke Zutphen. Ja, dat 'stedeke' heb ik gehoord op de teevee, het komt uit de mond van Coen Flinck, die in de serie 'Oppassen', "oud-burgemeester van het stedeke Veere" is. Ik ben in Veere eens geweest; het is een prachtig stadje, al kan het niet halen bij 'stee-den' als Zutphen, Lochem, Deventer, Groenlo.

Op onze hofstee hadden we nog meer dan één oude bedde-stee. Er waren er liefst vier; dat waren vier mooie slaapplekkken voor ons, kinderen. Mijn ouders sliepen in een twee-persoons ledikant. Zo'n bedstee zou te klein voor hen geweest zijn; de afmetingen van zo'n plaatsje is berekend op een volwassen persoon uit vroeger eeuwen, en in stee van groot waren die mensen klein en ze zaten in bed.

Onze boerderij lag aan de beek. Doa ging ik vake viss'n. Ik hadde door een vest stèè-ken. Ze zeggen ook wel een eigen stekje of stèè-chien. Iedere vrije middag in het voorjaar zat ik op die plek. 's Woensdags zat ik er in de middag altijd, weer of geen weer, stee-vast.

Bij ons kwamen trouwens veel stee-delingen uit het westen over de vloer, het was in mijn jeugd oorlog, die maar wat graag een plaatsje in de hooiberg wilden hebben, voor de nacht. Kamperen mocht toen niet, maar ze wilden wel graag een stekkie voor de nacht. Zo'n plekje misgunden mijn ouders hun nooit.

Op schole was mien stee bie de gangdeure. Niet, omdat ik figuurlijk op de schopstoel zat, maar letterlijk. De meester, ik zal zijn naam niet noemen, greep mij nogal eens in de 'schobben', sleurde me van mijn zitplaats, en zette zijn wreef stevig onder de stee waar de rug van naam verandert onder het roepen van: "Jij bent de enige appel met een rotte stee in deze vruchtenmand!"

De stad heeft onze boerenstee opgeslokt. Nog zie ik mijn moeder voor de laatste keer appels garen in de boomgaard. Tranen drupten uit haar ogen. Ik zie mijn vader het naambord van de gevel halen. "De Olde Stee" stond erop. Mijn oudste zus heeft het bewaard. In het nieuwe burgerhuis, vrijstaand, want Vader moest er omheen kunnen lopen, hebben mijn ouders zich nooit op hun stee gevoeld. Het huis heeft nooit een naam gekregen. Dit nieuwe oord hebben ze niet met "De Nieuwe Stee" willen aanduiden. Een oord was het, maar het werd nooit hun stee. Oude bomen moet je ook niet verplanten; die zijn te stee-vast geworteld.

Dit alles ging door me heen, toen ik 'stee' trok. Het heeft allemaal zijn plaatsje in mijn herinnering. En laat nu de volgende spreker op mijn stee gaan staan."