Sprookje

> Categorie: Columns Deventer Dagblad Gepubliceerd: woensdag 25 maart 2009

Als ik in Den Nul met mijn fietsje de "Duurse Weerden" indraai, waan ik me meteen in sprookjesland. Ik denk dan namelijk aan de boerderij "De Zoogenbrink", die ik liever 'Zeugenbrink' zou noemen, waar de weerden uit Duur op kleine schaal zijn te bezichtigen. En het sprookje dat ik een vijftal jaren geleden over dat model geschreven heb, in het Deventer dialect gaat over dat kleine landje in "De Zoogenbrink". Het is gepubliceerd in "De Vliegende Slonde", een uitgave van de 'IJsselakademie' in Kampen. Wie dit sprookje in het dialect lezen wil, doet er goed aan het genoemde boek uit de bibliotheek te halen of het in de erkende boekhandel te kopen. Ik kan het het beste, al fietsend enkele zaken samenvattend, vertalen.

Even denken. Het ging over eerdmenskes, aardmensjes, die in de aarde leven. Het ging hun op een dag ineens niet goed. De aarde was bedorven: an de eerpels zat kraak noch smaak; ze kregen last van de mage; het zoer kwam nöör boaven (ze kregen last van maagzuur). De mensjes besluiten een leefbaarder gebied te zoeken. Op de ruggen van vogels zwermen ze uit in verschillende richtingen. Elsken (Elsje) en Denneken (Dennetje) zijn er ook bij. Ze reizen mee op de rug van de 'witte musse', want ze zijn net getrouwd. Ze zijn zo aan het vrijen onder het vliegen, dat ze uit het verenpakje van de mus glijden en aan hun 'valschermkes' op het weerdenmodel in "De Zoogenbrink" landen: 'Keukes en schööpkes liepen en laggen in het land.....' Ze zijn 'in de Duurse Weerden bie Den Nul en Duur an de Iesel... Zooas het hier is, zoo mot het worden, möör hier is het al zoo.'

Ze gaan samen een gelukkige tijd tegemoet: Dissen (Deze) en Gunnen (Gene) worden geboren. - 'Op een herfstoavend werd der ebeld. Denneken dee lös. De zwärte ooievaer stond veur de deure. "Wie komt een tweeling brengen". Möör hee had der ene in een dook in zien snavel. "Wöör is de tweeden dan?" vroeg Denneken. "Dee kump met mien vrindinne mee". - "Wöörumme?" - "Wie hebt beiden een ei uut motten breujen; het bint een jungesken en een mèken (meisje)." - "Wat is dissen?" - "Een mèken?" ..... "Dan is gunnen het jungesken", zei Denneken.'

Dissen en Gunnen groeien op in een 'parrediesken', 'perrediesken', 'pärrediesken'. Ze weten niet hoe ze dat woord spellen moeten. Door toedoen van de boswachter komt tenslotte de hele familie weer bij de andere aardmensjes terecht, die in de echte weerden bij Duur een nieuw en beter bestaan hebben gevonden. Deze werkelijke wereld voldoet toch beter dan het paradijselijke model. Het slot van het verhaal: 'Toen ze in Duur ankwammen, wären alle gangen onder de grond versierd. De Härmonie gaf een fanfare,wat veur een härmonie heel uutzonderlijk is en de vier grootolders, hun kinder en hun kleinkinder vierden een feest as een brullufte tut midden in de nacht met verse onbespoaten hepkes, zuvere frisse dranken en in lucht met de juuste samenstelling van zuurstof, koolzuur en stikstof, want in de Duurse Weerden wördt alles natuurlijk.

En de boswachter? Hee was op zien dooie akkertjen nöör huus efietst, in de wètenschap dat akkers en andere gronden enkeld konden blieven lèven as de reuzen (grote mensen) weer Eerdmenskes werden met een heufdletter.'

Terwijl dit 'spreuksken' in mijn gedachten zijn weg vond, ben ik door sprookjesland bij de uitkijktoren van dit gebied gekomen. Ik klim in de warmte bedaard naar boven. Als ik geniet van het panorama, is het net of ik hoor: "Wat binne wie hier gelukkig." - "Döör kui'j zelf een hoop andoon."